BWBR0008365
Geldig vanaf 2019-04-17
Artikel 1aa
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
1. De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke ambtenaren als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>op grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
2. De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke ambtenaren als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk karakter van de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
3. De functionele autoriteit beëindigt het dienstverband met een in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het eerste of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend.
4. De functionele autoriteit benadeelt een in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend.
5. De functionele autoriteit stelt een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>die is aangesteld in tijdelijke dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met een dienstverband voor onbepaalde tijd.
6. Het College, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens</a>, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in het eerste of tweede lid. De <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 10</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">12</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">13</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/22" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">22 en van de Wet College voor de rechten van de mens</a>zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De functionele autoriteit maakt geen onderscheid tussen rechterlijke ambtenaren als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk karakter van de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
3. De functionele autoriteit beëindigt het dienstverband met een in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het eerste of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend.
4. De functionele autoriteit benadeelt een in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar niet wegens de omstandigheid dat betrokkene in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in het eerste lid of tweede lid of ter zake bijstand heeft verleend.
5. De functionele autoriteit stelt een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001830/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, onderdeel b, onderdelen 5° tot en met 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie</a>die is aangesteld in tijdelijke dienst tijdig en duidelijk in kennis van een vacature met een dienstverband voor onbepaalde tijd.
6. Het College, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens</a>, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in het eerste of tweede lid. De <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 10</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">12</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">13</a>, <a href="/wet/BWBR0030733/artikel/22" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">22 en van de Wet College voor de rechten van de mens</a>zijn van overeenkomstige toepassing.