BWBR0008283
Geldig vanaf 1996-10-29
Artikel 5
Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Eelde
Met inachtneming van het gestelde in artikel 7, vierde lid, van het Algemeen luchthavenreglement, worden de volgende voorschriften vastgesteld:
1. Voertuigen in het landingsterrein, op de platformen en de daaraan grenzende wegen a. voertuigen hebben slechts toegang tot het landingsterrein, de platformen en de daaraan grenzende wegen, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
a. voertuigen hebben slechts toegang tot het landingsterrein, de platformen en de daaraan grenzende wegen, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
2. Opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen locaties.
a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen locaties.
3. Het voortbewegen, parkeren, stallen, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts, na van de haven dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen locaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte bedraagt tenminste 7 meter, met dien verstande, dat deze afstand zodanig moet worden vergroot, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voortstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts, na van de haven dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen locaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte bedraagt tenminste 7 meter, met dien verstande, dat deze afstand zodanig moet worden vergroot, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voortstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
4. Het proefdraaien van motoren, anders dan ten behoeve van warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaats, een en ander conform de voorschriften en beperkingen die de vigerende vergunning, ingevolge de Wet Milieubeheer stelt;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien nadere voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst;
d. de exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.
a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaats, een en ander conform de voorschriften en beperkingen die de vigerende vergunning, ingevolge de Wet Milieubeheer stelt;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien nadere voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst;
d. de exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.
1. Voertuigen in het landingsterrein, op de platformen en de daaraan grenzende wegen a. voertuigen hebben slechts toegang tot het landingsterrein, de platformen en de daaraan grenzende wegen, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
a. voertuigen hebben slechts toegang tot het landingsterrein, de platformen en de daaraan grenzende wegen, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
2. Opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen locaties.
a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen locaties.
3. Het voortbewegen, parkeren, stallen, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts, na van de haven dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen locaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte bedraagt tenminste 7 meter, met dien verstande, dat deze afstand zodanig moet worden vergroot, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voortstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts, na van de haven dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen locaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte bedraagt tenminste 7 meter, met dien verstande, dat deze afstand zodanig moet worden vergroot, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voortstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
4. Het proefdraaien van motoren, anders dan ten behoeve van warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaats, een en ander conform de voorschriften en beperkingen die de vigerende vergunning, ingevolge de Wet Milieubeheer stelt;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien nadere voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst;
d. de exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.
a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaats, een en ander conform de voorschriften en beperkingen die de vigerende vergunning, ingevolge de Wet Milieubeheer stelt;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien nadere voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst;
d. de exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.