BWBR0008283
Geldig vanaf 1996-10-29
Artikel 12
Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Eelde
Met inachtneming van het gestelde in artikel 24 van het Algemeen luchthavenreglement, worden de volgende voorschriften vastgesteld:
1. Landen en opstijgen en taxiën a. Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein geschiedt op en van de daartoe bestemde en als zodanig door de havendienst beschikbaar gestelde baan/banen, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein;
b. luchtvaartuigen taxiën op de daarvoor bestemde rijbanen of daartoe bestemde gedeelten van het landingsterrein, zoals deze zijn gepubliceerd in de betreffende luchtvaartpublicaties (A.I.P., NOTAM).
a. Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein geschiedt op en van de daartoe bestemde en als zodanig door de havendienst beschikbaar gestelde baan/banen, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein;
b. luchtvaartuigen taxiën op de daarvoor bestemde rijbanen of daartoe bestemde gedeelten van het landingsterrein, zoals deze zijn gepubliceerd in de betreffende luchtvaartpublicaties (A.I.P., NOTAM).
2. Parkeren en slepen a. het verplaatsen en parkeren van luchtvaartuigen op het platform geschiedt overeenkomstig de door de dienstdoende functionaris van de havendienst dan wel de verkeersleidingsdienst gegeven aanwijzingen.
a. het verplaatsen en parkeren van luchtvaartuigen op het platform geschiedt overeenkomstig de door de dienstdoende functionaris van de havendienst dan wel de verkeersleidingsdienst gegeven aanwijzingen.
3. In werking stellen en houden van vliegtuigmotoren Het in werking stellen van een vliegtuigmotor is slechts toegestaan indien: a. maatregelen zijn genomen, welke voorkomen dat het betrokken vliegtuig zich kan verplaatsen;
b. in de onmiddellijke nabijheid van het vliegtuig voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn;
c. buiten het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon zodanig is opgesteld, dat hij aanwijzingen kan geven aan degene die belast is met de controle van de bedieningsorganen.
a. maatregelen zijn genomen, welke voorkomen dat het betrokken vliegtuig zich kan verplaatsen;
b. in de onmiddellijke nabijheid van het vliegtuig voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn;
c. buiten het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon zodanig is opgesteld, dat hij aanwijzingen kan geven aan degene die belast is met de controle van de bedieningsorganen.
4. Melding van incidenten, defecten of gebreken a. Toeleveranciers en organisaties die op het luchtvaartterrein werkzaamheden verrichten, daaronder begrepen de vlucht- of vliegtuigafhandeling en overige gebruikers van het luchtvaartterrein, zijn verplicht om incidenten op het luchtvaartterrein en defecten of gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in relatie met de veiligheid onverwijld te melden bij de havendienst;
b. Indien zich tijdens het opstijgen, landen, slepen of taxiën een incident en/of ongeval voordoet mag de gezagvoerder of de bestuurder van een voertuig, het luchtvaartuig dan wel voertuig eerst weer verplaatsen nadat daartoe toestemming is verleend door de bevoegde instanties en na verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
a. Toeleveranciers en organisaties die op het luchtvaartterrein werkzaamheden verrichten, daaronder begrepen de vlucht- of vliegtuigafhandeling en overige gebruikers van het luchtvaartterrein, zijn verplicht om incidenten op het luchtvaartterrein en defecten of gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in relatie met de veiligheid onverwijld te melden bij de havendienst;
b. Indien zich tijdens het opstijgen, landen, slepen of taxiën een incident en/of ongeval voordoet mag de gezagvoerder of de bestuurder van een voertuig, het luchtvaartuig dan wel voertuig eerst weer verplaatsen nadat daartoe toestemming is verleend door de bevoegde instanties en na verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
5. Toegang tot gebouwen van de exploitant op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein a. voor de toegang tot de gebouwen op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein is per keer de uitdrukkelijke toestemming vereist van een functionaris van de havendienst;
b. de toegang tot die gebouwen is voor gebruikers en op het luchtvaartterrein gevestigde bedrijven en diensten slechts toegestaan indien dat voor de uitoefening van hun werkzaamheden noodzakelijk is;
c. personen aan wie toestemming is verleend voor toegang tot de gebouwen melden zich af bij de onder a genoemde functionarissen nadat zij het gebouw hebben verlaten;
d. de onder a genoemde functionarissen zijn te allen tijde bevoegd de verleende toestemming in de trekken en personen te gelasten zich uit de gebouwen van de exploitant te verwijderen.
a. voor de toegang tot de gebouwen op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein is per keer de uitdrukkelijke toestemming vereist van een functionaris van de havendienst;
b. de toegang tot die gebouwen is voor gebruikers en op het luchtvaartterrein gevestigde bedrijven en diensten slechts toegestaan indien dat voor de uitoefening van hun werkzaamheden noodzakelijk is;
c. personen aan wie toestemming is verleend voor toegang tot de gebouwen melden zich af bij de onder a genoemde functionarissen nadat zij het gebouw hebben verlaten;
d. de onder a genoemde functionarissen zijn te allen tijde bevoegd de verleende toestemming in de trekken en personen te gelasten zich uit de gebouwen van de exploitant te verwijderen.
1. Landen en opstijgen en taxiën a. Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein geschiedt op en van de daartoe bestemde en als zodanig door de havendienst beschikbaar gestelde baan/banen, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein;
b. luchtvaartuigen taxiën op de daarvoor bestemde rijbanen of daartoe bestemde gedeelten van het landingsterrein, zoals deze zijn gepubliceerd in de betreffende luchtvaartpublicaties (A.I.P., NOTAM).
a. Het landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein geschiedt op en van de daartoe bestemde en als zodanig door de havendienst beschikbaar gestelde baan/banen, gelegen binnen het in gebruik zijnde deel van het landingsterrein;
b. luchtvaartuigen taxiën op de daarvoor bestemde rijbanen of daartoe bestemde gedeelten van het landingsterrein, zoals deze zijn gepubliceerd in de betreffende luchtvaartpublicaties (A.I.P., NOTAM).
2. Parkeren en slepen a. het verplaatsen en parkeren van luchtvaartuigen op het platform geschiedt overeenkomstig de door de dienstdoende functionaris van de havendienst dan wel de verkeersleidingsdienst gegeven aanwijzingen.
a. het verplaatsen en parkeren van luchtvaartuigen op het platform geschiedt overeenkomstig de door de dienstdoende functionaris van de havendienst dan wel de verkeersleidingsdienst gegeven aanwijzingen.
3. In werking stellen en houden van vliegtuigmotoren Het in werking stellen van een vliegtuigmotor is slechts toegestaan indien: a. maatregelen zijn genomen, welke voorkomen dat het betrokken vliegtuig zich kan verplaatsen;
b. in de onmiddellijke nabijheid van het vliegtuig voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn;
c. buiten het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon zodanig is opgesteld, dat hij aanwijzingen kan geven aan degene die belast is met de controle van de bedieningsorganen.
a. maatregelen zijn genomen, welke voorkomen dat het betrokken vliegtuig zich kan verplaatsen;
b. in de onmiddellijke nabijheid van het vliegtuig voldoende brandblusmiddelen aanwezig zijn;
c. buiten het vliegtuig een ter zake bevoegd persoon zodanig is opgesteld, dat hij aanwijzingen kan geven aan degene die belast is met de controle van de bedieningsorganen.
4. Melding van incidenten, defecten of gebreken a. Toeleveranciers en organisaties die op het luchtvaartterrein werkzaamheden verrichten, daaronder begrepen de vlucht- of vliegtuigafhandeling en overige gebruikers van het luchtvaartterrein, zijn verplicht om incidenten op het luchtvaartterrein en defecten of gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in relatie met de veiligheid onverwijld te melden bij de havendienst;
b. Indien zich tijdens het opstijgen, landen, slepen of taxiën een incident en/of ongeval voordoet mag de gezagvoerder of de bestuurder van een voertuig, het luchtvaartuig dan wel voertuig eerst weer verplaatsen nadat daartoe toestemming is verleend door de bevoegde instanties en na verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
a. Toeleveranciers en organisaties die op het luchtvaartterrein werkzaamheden verrichten, daaronder begrepen de vlucht- of vliegtuigafhandeling en overige gebruikers van het luchtvaartterrein, zijn verplicht om incidenten op het luchtvaartterrein en defecten of gebreken die van aanmerkelijk belang zijn in relatie met de veiligheid onverwijld te melden bij de havendienst;
b. Indien zich tijdens het opstijgen, landen, slepen of taxiën een incident en/of ongeval voordoet mag de gezagvoerder of de bestuurder van een voertuig, het luchtvaartuig dan wel voertuig eerst weer verplaatsen nadat daartoe toestemming is verleend door de bevoegde instanties en na verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
5. Toegang tot gebouwen van de exploitant op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein a. voor de toegang tot de gebouwen op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein is per keer de uitdrukkelijke toestemming vereist van een functionaris van de havendienst;
b. de toegang tot die gebouwen is voor gebruikers en op het luchtvaartterrein gevestigde bedrijven en diensten slechts toegestaan indien dat voor de uitoefening van hun werkzaamheden noodzakelijk is;
c. personen aan wie toestemming is verleend voor toegang tot de gebouwen melden zich af bij de onder a genoemde functionarissen nadat zij het gebouw hebben verlaten;
d. de onder a genoemde functionarissen zijn te allen tijde bevoegd de verleende toestemming in de trekken en personen te gelasten zich uit de gebouwen van de exploitant te verwijderen.
a. voor de toegang tot de gebouwen op het niet voor het publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein is per keer de uitdrukkelijke toestemming vereist van een functionaris van de havendienst;
b. de toegang tot die gebouwen is voor gebruikers en op het luchtvaartterrein gevestigde bedrijven en diensten slechts toegestaan indien dat voor de uitoefening van hun werkzaamheden noodzakelijk is;
c. personen aan wie toestemming is verleend voor toegang tot de gebouwen melden zich af bij de onder a genoemde functionarissen nadat zij het gebouw hebben verlaten;
d. de onder a genoemde functionarissen zijn te allen tijde bevoegd de verleende toestemming in de trekken en personen te gelasten zich uit de gebouwen van de exploitant te verwijderen.