BWBR0008170
Geldig vanaf 1996-07-15
Artikel 8
Regeling algemene verplichtingen houders infrastructuurvergunningen
1. De houder van een infrastructuurvergunning is verplicht de vaste verbindingen onder dezelfde voorwaarden en tarieven ter beschikking te stellen aan zichzelf, zijn dochtermaatschappijen of onderdelen als aan derden.
2. Voor de activiteiten ter zake van de uitvoering van de dienst dient de financiële verantwoording gescheiden te zijn van die van de overige activiteiten van de houder van een infrastructuurvergunning. Ter toetsing of aan deze bepaling is voldaan, dient de houder van een infrastructuurvergunning jaarlijks een verklaring van een onafhankelijke accountant aan het college voor te leggen.
3. Ter uitvoering van het bepaalde in het tweede lid betreffende gescheiden financiële verantwoording van activiteiten terzake van de uitvoering van de dienst en van de overige activiteiten van de houder van een infrastructuurvergunning stelt de houder van een infrastructuurvergunning een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten vast en deelt dit mee aan het college. Het college kan richtlijnen geven met betrekking tot zowel het systeem als de toepassing er van. De jaarlijks te overleggen verklaring van de in het tweede lid bedoelde accountant houdt tevens in de verklaring of aan de richtlijnen is voldaan en heeft mede betrekking op de toepassing van het tot stand gekomen toerekeningssysteem.
4. De houder van een infrastructuurvergunning draagt er zorg voor dat door activiteiten ter zake van de uitvoering van de dienst, geen subsidiëring plaats vindt van door hem verrichte andere activiteiten.
Het bepaalde in lid 2, tweede volzin, is van toepassing.
2. Voor de activiteiten ter zake van de uitvoering van de dienst dient de financiële verantwoording gescheiden te zijn van die van de overige activiteiten van de houder van een infrastructuurvergunning. Ter toetsing of aan deze bepaling is voldaan, dient de houder van een infrastructuurvergunning jaarlijks een verklaring van een onafhankelijke accountant aan het college voor te leggen.
3. Ter uitvoering van het bepaalde in het tweede lid betreffende gescheiden financiële verantwoording van activiteiten terzake van de uitvoering van de dienst en van de overige activiteiten van de houder van een infrastructuurvergunning stelt de houder van een infrastructuurvergunning een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten vast en deelt dit mee aan het college. Het college kan richtlijnen geven met betrekking tot zowel het systeem als de toepassing er van. De jaarlijks te overleggen verklaring van de in het tweede lid bedoelde accountant houdt tevens in de verklaring of aan de richtlijnen is voldaan en heeft mede betrekking op de toepassing van het tot stand gekomen toerekeningssysteem.
4. De houder van een infrastructuurvergunning draagt er zorg voor dat door activiteiten ter zake van de uitvoering van de dienst, geen subsidiëring plaats vindt van door hem verrichte andere activiteiten.
Het bepaalde in lid 2, tweede volzin, is van toepassing.