BWBR0008170
Geldig vanaf 1996-07-15
Artikel 10
Regeling algemene verplichtingen houders infrastructuurvergunningen
1. De houder van een infrastructuurvergunning richt zijn telecommunicatie-infrastructuur zodanig in dat aan de volgende vereisten wordt voldaan:
a. een last wordt uitgevoerd op basis van het daarin door de lastgever vermelde nummer van de af te tappen gebruiker;
b. een last wordt onverwijld uitgevoerd op het tijdstip dat en gedurende de periode die in de last is vastgelegd;
c. een last wordt uitgevoerd zonder dat anderen dan de houder van een infrastructuurvergunning hieromtrent in kennis worden gesteld of worden geraadpleegd;
d. de uitvoering van een last is niet waarneembaar voor gebruikers noch voor degenen die met deze gebruikers door middel van de vergunde telecommunicatie-infrastructuur in verbinding staan;
e. de af te tappen telecommunicatie wordt op het moment van ter beschikking komen door middel van een ISDN-verbinding doorgegeven aan de in de last vermelde personen of instanties. Indien dit technisch niet mogelijk is, wordt in overleg met de in de last vermelde personen of instanties een andere wijze van doorgifte gevonden;
f. de af te tappen telecommunicatie wordt door de houder van een infra-structuurvergunning ontdaan van de eventueel door hem aangewende cryptografie en andere door hem aangewende bewerkingen en als zodanig aan de in de last vermelde personen of instanties doorgegeven;
g. de kwaliteit van de af te tappen telecommunicatie zoals deze wordt doorgegeven, is vergelijkbaar met de oorspronkelijke telecommunicatie;
h. de af te tappen telecommunicatie van meerdere gebruikers kan, indien een of meerdere lasten daartoe verplichten, tegelijkertijd aan de in de last vermelde personen of instanties worden doorgegeven;
i. indien een of meerdere lasten daartoe verplichten wordt de af te tappen telecommunicatie met betrekking tot een en dezelfde gebruiker tegelijkertijd doorgegeven aan meerdere in de last vermelde personen of instanties, met een maximum van drie;
j. tegelijkertijd kunnen bij 1,5 promille van de op de vergunde telecommunicatie-infrastructuur aangesloten gebruikers taps worden geplaatst.
2. De voorzieningen en de apparatuur door middel van welke de ten behoeve van een tap verkregen telecommunicatie door de houder van een infrastructuurvergunning wordt doorgegeven, is in overeenstemming met het bij de in de last vermelde personen of instanties voor deze doeleinden in gebruik zijnde technisch protocol.
3. De houder van een infrastructuurvergunning draagt er zorg voor dat bij de uitvoering van een last door het bij die uitvoering betrokken personeel geheimhouding wordt betracht. Met name draagt hij zorg voor de niet-toegankelijkheid voor onbevoegden van gegevens omtrent een last en voor het doorgeven van af te tappen telecommunicatie aan uitsluitend de in de last vermelde personen of instanties. De minister wijst in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken vertrouwensfuncties aan.
4. De houder van een infrastructuurvergunning stelt het gebruik van vaste verbindingen niet ter beschikking aan degene die zich niet tegenover hem verbindt onverwijld medewerking te verlenen aan de uitvoering van het onder lid 1, 2 en 3 bepaalde.
a. een last wordt uitgevoerd op basis van het daarin door de lastgever vermelde nummer van de af te tappen gebruiker;
b. een last wordt onverwijld uitgevoerd op het tijdstip dat en gedurende de periode die in de last is vastgelegd;
c. een last wordt uitgevoerd zonder dat anderen dan de houder van een infrastructuurvergunning hieromtrent in kennis worden gesteld of worden geraadpleegd;
d. de uitvoering van een last is niet waarneembaar voor gebruikers noch voor degenen die met deze gebruikers door middel van de vergunde telecommunicatie-infrastructuur in verbinding staan;
e. de af te tappen telecommunicatie wordt op het moment van ter beschikking komen door middel van een ISDN-verbinding doorgegeven aan de in de last vermelde personen of instanties. Indien dit technisch niet mogelijk is, wordt in overleg met de in de last vermelde personen of instanties een andere wijze van doorgifte gevonden;
f. de af te tappen telecommunicatie wordt door de houder van een infra-structuurvergunning ontdaan van de eventueel door hem aangewende cryptografie en andere door hem aangewende bewerkingen en als zodanig aan de in de last vermelde personen of instanties doorgegeven;
g. de kwaliteit van de af te tappen telecommunicatie zoals deze wordt doorgegeven, is vergelijkbaar met de oorspronkelijke telecommunicatie;
h. de af te tappen telecommunicatie van meerdere gebruikers kan, indien een of meerdere lasten daartoe verplichten, tegelijkertijd aan de in de last vermelde personen of instanties worden doorgegeven;
i. indien een of meerdere lasten daartoe verplichten wordt de af te tappen telecommunicatie met betrekking tot een en dezelfde gebruiker tegelijkertijd doorgegeven aan meerdere in de last vermelde personen of instanties, met een maximum van drie;
j. tegelijkertijd kunnen bij 1,5 promille van de op de vergunde telecommunicatie-infrastructuur aangesloten gebruikers taps worden geplaatst.
2. De voorzieningen en de apparatuur door middel van welke de ten behoeve van een tap verkregen telecommunicatie door de houder van een infrastructuurvergunning wordt doorgegeven, is in overeenstemming met het bij de in de last vermelde personen of instanties voor deze doeleinden in gebruik zijnde technisch protocol.
3. De houder van een infrastructuurvergunning draagt er zorg voor dat bij de uitvoering van een last door het bij die uitvoering betrokken personeel geheimhouding wordt betracht. Met name draagt hij zorg voor de niet-toegankelijkheid voor onbevoegden van gegevens omtrent een last en voor het doorgeven van af te tappen telecommunicatie aan uitsluitend de in de last vermelde personen of instanties. De minister wijst in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken vertrouwensfuncties aan.
4. De houder van een infrastructuurvergunning stelt het gebruik van vaste verbindingen niet ter beschikking aan degene die zich niet tegenover hem verbindt onverwijld medewerking te verlenen aan de uitvoering van het onder lid 1, 2 en 3 bepaalde.