BWBR0008100
Geldig vanaf 1996-03-23
Artikel 4
Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004
1. Burgemeester en wethouders verrichten het debiteurenonderzoek, uitmondend in een besluit of in een aantekening als bedoeld onder c, binnen twaalf maanden:
a. na de datum waarop de vordering is ontstaan;
b. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
c. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd afgesloten.
2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te stellen criteria voor categorieën van vorderingen en van personen, termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn, indien zij voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken een debiteurenonderzoeksplan hebben opgesteld.
3. Het in het tweede lid bedoelde debiteurenonderzoeksplan omvat ten minste:
a. de criteria op grond waarvan een differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van vorderingen en van personen;
b. de onderscheiden termijnen die gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken van de categorieën van vorderingen en van personen;
d. de wijze waarop, gezien de in het debiteurenonderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt gegeven aan het debiteurenonderzoek.
4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht vastgesteld.
5. Ten aanzien van vorderingen waarvan de betalings- en aflossingstermijnen een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn voldaan moet zijn, niet overschrijden, kunnen burgemeester en wethouders toepassing van het eerste lid achterwege laten zolang de belanghebbende zijn verplichtingen nakomt.
a. na de datum waarop de vordering is ontstaan;
b. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
c. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd afgesloten.
2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te stellen criteria voor categorieën van vorderingen en van personen, termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn, indien zij voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken een debiteurenonderzoeksplan hebben opgesteld.
3. Het in het tweede lid bedoelde debiteurenonderzoeksplan omvat ten minste:
a. de criteria op grond waarvan een differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van vorderingen en van personen;
b. de onderscheiden termijnen die gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken van de categorieën van vorderingen en van personen;
d. de wijze waarop, gezien de in het debiteurenonderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt gegeven aan het debiteurenonderzoek.
4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht vastgesteld.
5. Ten aanzien van vorderingen waarvan de betalings- en aflossingstermijnen een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn voldaan moet zijn, niet overschrijden, kunnen burgemeester en wethouders toepassing van het eerste lid achterwege laten zolang de belanghebbende zijn verplichtingen nakomt.