BWBR0008100
Geldig vanaf 1996-03-23
Artikel 2
Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004
1. Burgemeester en wethouders verrichten het heronderzoek, uitmondend in een besluit of in een aantekening als bedoeld onder d, binnen acht maanden:
a. na de ingangsdatum van de uitkering; of indien de uitkering met terugwerkende kracht is toegekend,
b. na de aanvraagdatum van de uitkering;
c. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte heronderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
d. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het laatst verrichte heronderzoek werd afgesloten.
2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te stellen criteria voor categorieën van uitkeringsgerechtigden en voor te onderzoeken gegevens en omstandigheden termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn, mits:
a. zij een daartoe strekkend onderzoeksplan hebben opgesteld;
b. de termijn niet meer bedraagt dan 18 maanden.
3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoeksplan omvat tenminste:
a. de criteria op grond waarvan een differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van uitkeringsgerechtigden, de te onderzoeken gegevens en omstandigheden en de onderzoekstermijnen;
b. de onderscheiden termijnen die gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken van de categorieën uitkeringsgerechtigden waarop de onderscheiden termijnen betrekking hebben;
d. de wijze waarop, gezien de in het onderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt gegeven aan het heronderzoek.
4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht vastgesteld.
a. na de ingangsdatum van de uitkering; of indien de uitkering met terugwerkende kracht is toegekend,
b. na de aanvraagdatum van de uitkering;
c. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte heronderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
d. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het laatst verrichte heronderzoek werd afgesloten.
2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te stellen criteria voor categorieën van uitkeringsgerechtigden en voor te onderzoeken gegevens en omstandigheden termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn, mits:
a. zij een daartoe strekkend onderzoeksplan hebben opgesteld;
b. de termijn niet meer bedraagt dan 18 maanden.
3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoeksplan omvat tenminste:
a. de criteria op grond waarvan een differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van uitkeringsgerechtigden, de te onderzoeken gegevens en omstandigheden en de onderzoekstermijnen;
b. de onderscheiden termijnen die gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken van de categorieën uitkeringsgerechtigden waarop de onderscheiden termijnen betrekking hebben;
d. de wijze waarop, gezien de in het onderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt gegeven aan het heronderzoek.
4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht vastgesteld.