Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2008-09-24
ECLI:NL:CRVB:2008:BF4002
Bestuursrecht
07/3280 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V., gevestigd te Noordwijk, (hierna: appellante) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 mei 2007, 06/2925 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen de erven van [naam betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], (hierna: erven) en appellante Datum uitspraak: 24 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, een verweerschrift ingediend. Betrokkene is op 3 juli 2008 overleden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Kreeft. Namens de erven is verschenen de kleinzoon van betrokkene, [naam kleinzoon], bijgestaan door mr. Van der Bent. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene is met ingang van 16 april 2003 opgenomen geweest in verpleeghuis [verpleeghuis] te [vestigingsplaats], een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). 1.2. Namens appellante heeft het Zorgkantoor betrokkene bij besluit van 14 mei 2003 meegedeeld dat zij met ingang van 16 april 2003 op grond van artikel 14 en met ingang van 16 oktober 2003 op grond van artikel 4 van het Bijdragebesluit zorg (hierna: Bbz) een bijdrage in de kosten van verleende zorg verschuldigd is. 1.3. Namens appellante heeft het Zorgkantoor betrokkene bij besluit van 16 mei 2003 meegedeeld dat zij met ingang van 16 april 2003 tot en met 15 oktober 2003 op grond van artikel 14 van het Bbz een bijdrage van € 106,-- per maand verschuldigd is. 1.4. Namens appellante heeft het Zorgkantoor betrokkene bij besluit van 7 januari 2004 meegedeeld dat zij met ingang van 16 oktober 2003 op grond van artikel 14 van het Bbz een bijdrage van € 164,04 per maand verschuldigd is. 2. Namens appellante heeft het Zorgkantoor betrokkene bij besluit van 28 februari 2005 meegedeeld dat zij met ingang van 1 januari 2004 op grond van artikel 4 van het Bbz een bijdrage van € 1.073,59 per maand verschuldigd is en dat deze bijdrage bij haar zal worden geïnd. De ontstane schuld over de periode van 1 januari 2004 tot en met 28 februari 2005 bedraagt blijkens een brief van het Zorgkantoor van 23 juni 2005 € 12.733,70. 2.1. Bij besluit van 16 juni 2006 heeft appellante het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2005 ongegrond verklaard. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 juni 2006, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellante opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante ten nadele van betrokkene is teruggekomen van het in rechte vaststaande besluit van 7 januari 2004, terwijl het besluit van 28 februari 2005 is gebaseerd op feiten die reeds bekend waren ten tijde van het besluit van 7 januari 2004. De rechtbank is van oordeel dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet valt te aanvaarden dat van een eenmaal genomen beslissing met betrekking tot de verschuldigde eigen bijdrage, genomen op een tijdstip waarop alle voor de beslissing relevante feiten bekend waren, althans redelijkerwijs bekend konden zijn, met terugwerkende kracht ten nadele van de betrokkene wordt teruggekomen. Voorts heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene - eerder dan bij het besluit van 28 februari 2005 - op de hoogte is gesteld van de verschuldigde hoge eigen bijdrage. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij in het algemeen bevoegd moet worden geacht terug te komen van een ten onrechte afgegeven beslissing inzake een wettelijk verschuldigde eigen bijdrage. Wel dient hierbij getoetst te worden in hoeverre het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. In dit geval is de rechtszekerheid niet geschaad, nu betrokkene wist of behoorde te weten dat de op 7 januari 2004 opgelegde eigen bijdrage niet juist was. In het besluit van 14 mei 2003 was immers bepaald dat betrokkene met ingang van 16 oktober 2003 een bijdrage verschuldigd zou zijn op grond van artikel 4 van het Bbz. Nu in het besluit van 7 januari 2004 tot uitdrukking is gebracht dat het een bijdrage betrof op grond van artikel 14 van het Bbz, had betrokkene kunnen weten dat dat besluit niet juist was. Het lag op de weg van betrokkene om hieromtrent contact op te nemen met het Zorgkantoor. Voorts wordt door instellingen aan degenen die daarin opgenomen worden door middel van een brochure informatie verstrekt omtrent de eigen bijdrage. Verder heeft verpleeghuis [verpleeghuis] aangegeven dat dit in een gesprek van 14 augustus 2003, waarbij ook [naam kleinzoon] aanwezig was, informatie heeft verstrekt omtrent de oplegging van de hoge eigen bijdrage. 3.1. De erven stellen zich primair op het standpunt dat uit de beroepsgronden van appellante niet blijkt tegen welke overweging van de aangevallen uitspraak deze zijn gericht. Subsidiair is aangevoerd dat er wel sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Betrokkene noch de familie heeft een informatiebrochure over de eigen bijdrage ontvangen en tijdens het gesprek van 14 augustus 2003 is niet gesproken over de eigen bijdrage. Gemaakte fouten van appellante kunnen niet worden afgewenteld op betrokkene. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb. Deze bepalingen zijn ingevolge artikel 6:24, eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. 4.1.2. De Raad is van oordeel dat uit het aanvullend hoger beroepschrift van 16 juli 2007 voldoende blijkt op welke gronden het hoger beroep berust, zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. 4.1.3. De Raad stelt voorts vast dat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel van bestuursrecht is die gebiedt in het hoger beroepschrift te preciseren tegen welke concrete overweging van de aangevallen uitspraak het hoger beroep gericht is. 4.1.4. Uit hetgeen onder 4.1.1 tot en met 4.1.3 is overwogen vloeit voort dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond wordt gevonden om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. 4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld CRvB 30 juli 2008, LJN BD9312), komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. 4.3. De Raad is van oordeel dat het voor betrokkene, gelet op de tekst van de beschikking van 7 januari 2004 en de daarbij gevoegde toelichtende brief en berekening, weliswaar kenbaar kon zijn dat bij deze beschikking de lage bijdrage werd opgelegd, maar niet dat dit onjuist was omdat een hoge eigen bijdrage opgelegd had moeten worden. De enkele vermelding in het besluit van 14 mei 2003 van artikel 14 en artikel 4 van het Bbz acht de Raad daartoe onvoldoende. Betrokkene heeft het besluit van 7 januari 2004 mogen opvatten als de definitieve vaststelling van de eigen bijdrage over de periode met ingang van 1 januari 2004. 4.4.