BWBR0008082
Geldig vanaf 29-12-2005
Artikel 5
Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen
1. Onverminderd artikel 4 stelt het UWV de aflossingstermijnen vast na overleg met de schuldenaar en met inachtneming van dit artikel, tenzij:
a. het UWV de aflossingstermijnen heeft vastgesteld op voorstel van de schuldenaar, bedoeld in artikel 4;
b. de vordering een boete betreft;
c. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een boete is opgelegd; of
d. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvan het UWV aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 wordt de vordering geheel voldaan door middel van periodieke betalingen of verrekeningen gedurende 36 maanden te rekenen vanaf de dag waarop het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. De aflossingstermijn is ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit hetgeen een betaling gedurende minder dan 36 maanden met zich mee kan brengen.
3. In afwijking van het tweede lid, tweede zin, wordt op verzoek van de schuldenaar ten minste de halve aflossingscapaciteit toegepast onder de voorwaarde dat de vordering geheel wordt voldaan gedurende 36 maanden te rekenen vanaf de dag dat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de termijnen. De schuldenaar wordt erop gewezen dat ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in de artikelen 36, derde lid, van de WW, 33, derde lid, van de ZW, 57, derde lid, van de WAO, 63, derde lid, van de WAZ, 55, derde lid, van de Wajong, 20, derde lid, van de TW, 77, derde lid, van de Wet WIA, of artikel 3:16, artikel 3:27 WAZO, niet mogelijk is.
4. Indien de schuldenaar voorstelt om hogere periodieke betalingen te doen dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, stelt het UWV de termijnen conform dit voorstel vast.
5. Indien de schuldenaar, bij aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit, de vordering niet binnen 36 maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen 6 weken, nadat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen, wordt voldaan, dat hij de resterende vordering binnen 36 maanden kan voldoen.
Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV zekerheid stelt voor aflossing van de gehele vordering binnen 36 maanden, nadat de vaststelling van de termijnen hem bekend is gemaakt, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
6. De periodieke betaling of verrekening wordt gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5 % van de bijstandsnorm indien
a. de schuldenaar met aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen niet in staat is de vordering binnen 36 maanden te voldoen en
b. periodieke betaling of verrekening gedurende 60 maanden van het aldus verkregen bedrag leidt tot een grotere aflossing dan betaling of verrekening gedurende 36 maanden van het op grond van het tweede en derde lid verkregen bedrag.
a. het UWV de aflossingstermijnen heeft vastgesteld op voorstel van de schuldenaar, bedoeld in artikel 4;
b. de vordering een boete betreft;
c. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvoor aan de schuldenaar een boete is opgelegd; of
d. de onverschuldigde betaling het gevolg is van een gedraging waarvan het UWV aangifte heeft gedaan of waarvan proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 wordt de vordering geheel voldaan door middel van periodieke betalingen of verrekeningen gedurende 36 maanden te rekenen vanaf de dag waarop het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen. De aflossingstermijn is ter hoogte van de volledige aflossingscapaciteit hetgeen een betaling gedurende minder dan 36 maanden met zich mee kan brengen.
3. In afwijking van het tweede lid, tweede zin, wordt op verzoek van de schuldenaar ten minste de halve aflossingscapaciteit toegepast onder de voorwaarde dat de vordering geheel wordt voldaan gedurende 36 maanden te rekenen vanaf de dag dat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de termijnen. De schuldenaar wordt erop gewezen dat ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in de artikelen 36, derde lid, van de WW, 33, derde lid, van de ZW, 57, derde lid, van de WAO, 63, derde lid, van de WAZ, 55, derde lid, van de Wajong, 20, derde lid, van de TW, 77, derde lid, van de Wet WIA, of artikel 3:16, artikel 3:27 WAZO, niet mogelijk is.
4. Indien de schuldenaar voorstelt om hogere periodieke betalingen te doen dan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, stelt het UWV de termijnen conform dit voorstel vast.
5. Indien de schuldenaar, bij aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit, de vordering niet binnen 36 maanden volledig zal kunnen voldoen, wendt hij zijn vermogen aan zodat een zodanig gedeelte van de vordering binnen 6 weken, nadat het UWV aan de schuldenaar kennis heeft gegeven van de vaststelling van de termijnen, wordt voldaan, dat hij de resterende vordering binnen 36 maanden kan voldoen.
Indien echter de schuldenaar ten genoegen van het UWV zekerheid stelt voor aflossing van de gehele vordering binnen 36 maanden, nadat de vaststelling van de termijnen hem bekend is gemaakt, behoeft de schuldenaar zijn vermogen niet aan te wenden.
6. De periodieke betaling of verrekening wordt gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5 % van de bijstandsnorm indien
a. de schuldenaar met aanwending van zijn volledige aflossingscapaciteit en vermogen niet in staat is de vordering binnen 36 maanden te voldoen en
b. periodieke betaling of verrekening gedurende 60 maanden van het aldus verkregen bedrag leidt tot een grotere aflossing dan betaling of verrekening gedurende 36 maanden van het op grond van het tweede en derde lid verkregen bedrag.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0008082
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl