BWBR0008082
Geldig vanaf 29-12-2005
Artikel 7
Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen
1. Indien de schuldenaar een betalingsregeling heeft getroffen met één of meer derden die beschikken over een executoriale titel, kan het UWV rekening houden met deze betalingsregelingen bij de vaststelling van de termijn of termijnen waarbinnen wordt verrekend of betaald. Het bedrag van de verrekening of betaling wordt in elk geval niet gesteld op een lager bedrag dan het aandeel waarop het UWV aanspraak zou kunnen maken bij verrekening met een lopende uitkering respectievelijk executoriaal beslag door het UWV op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, indien door deze derden beslag zou zijn gelegd. Het UWV is bevoegd om een schuldeiser, met wie de schuldenaar, tenminste één jaar voor de beslissing tot terugvordering is afgegeven, een betalingsregeling is overeengekomen, gelijk te stellen met een schuldeiser die in het bezit is van een executoriale titel.
2. In afwijking van het eerste lid wordt op de aflossingscapaciteit in mindering gebracht de betaalde bijdrage tot € 113 per persoon in
a. levensonderhoud van de ex-echtgenoot;
b. de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen die niet tot het huishouden behoren;
c. levensonderhoud en studie van meerderjarige kinderen tot 27 jaar.
3. Indien het UWV zijn medewerking verleent aan een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord ter sanering van de schulden van de schuldenaar kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, worden ingestemd met een ander aandeel in de aflossingscapaciteit en het betrekken van vorderingen van andere schuldeisers in de vaststelling van dit aandeel, indien
a. de vordering van het UWV tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met vorderingen van schuldeisers met gelijke rang en het te ontvangen deel van de vordering van het UWV van tenminste dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien een saneringsplan als bedoeld in artikel 343 van de Faillissementswet wordt vastgesteld en
b. het UWV noch in uitkeringspercentage noch in tempo van betaling wordt achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers en
c. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de schuldenaar, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, in aanmerking zou komen voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt op de aflossingscapaciteit in mindering gebracht de betaalde bijdrage tot € 113 per persoon in
a. levensonderhoud van de ex-echtgenoot;
b. de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen die niet tot het huishouden behoren;
c. levensonderhoud en studie van meerderjarige kinderen tot 27 jaar.
3. Indien het UWV zijn medewerking verleent aan een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord ter sanering van de schulden van de schuldenaar kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, worden ingestemd met een ander aandeel in de aflossingscapaciteit en het betrekken van vorderingen van andere schuldeisers in de vaststelling van dit aandeel, indien
a. de vordering van het UWV tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met vorderingen van schuldeisers met gelijke rang en het te ontvangen deel van de vordering van het UWV van tenminste dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien een saneringsplan als bedoeld in artikel 343 van de Faillissementswet wordt vastgesteld en
b. het UWV noch in uitkeringspercentage noch in tempo van betaling wordt achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers en
c. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de schuldenaar, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, in aanmerking zou komen voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0008082
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl