BWBR0008044
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 6
Regeling eisen praktijk-examens C en E bij C
De in artikel 3, onder q, bedoelde bijzondere verrichtingen bestaan voor de categorie C uit:
a. het voor aanvang van het praktijk-examen uitvoeren van de noodzakelijke voorbereidings- en controlehandelingen (remsystemen, stuurbekrachtiging, snelheidsbegrenzer) zowel aan als in het voertuig, alsmede controle van de belading;
b. de juiste bediening van het controleapparaat als bedoeld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370);
c. het op juiste en veilige wijze in- of uitstappen;
d. het in een rechte lijn achteruit rijden;
e. het achteruitrijden van aangegeven bochten;
f. het achteruit inparkeren van het voertuig;
g. het met het voertuig maken van een halve draai in een vloeiende beweging binnen een beperkte ruimte (keren);
h. het voertuig zonder fouten op een helling tot stilstand brengen en weer optrekken;
i. het op juiste wijze beproeven van de werking van de remmen;
j. het na afloop van de rit uitvoeren van de noodzakelijke controlehandelingen zowel aan als in het voertuig.
a. het voor aanvang van het praktijk-examen uitvoeren van de noodzakelijke voorbereidings- en controlehandelingen (remsystemen, stuurbekrachtiging, snelheidsbegrenzer) zowel aan als in het voertuig, alsmede controle van de belading;
b. de juiste bediening van het controleapparaat als bedoeld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370);
c. het op juiste en veilige wijze in- of uitstappen;
d. het in een rechte lijn achteruit rijden;
e. het achteruitrijden van aangegeven bochten;
f. het achteruit inparkeren van het voertuig;
g. het met het voertuig maken van een halve draai in een vloeiende beweging binnen een beperkte ruimte (keren);
h. het voertuig zonder fouten op een helling tot stilstand brengen en weer optrekken;
i. het op juiste wijze beproeven van de werking van de remmen;
j. het na afloop van de rit uitvoeren van de noodzakelijke controlehandelingen zowel aan als in het voertuig.