BWBR0008044
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 4
Regeling eisen praktijk-examens C en E bij C
De aanvrager dient tijdens het praktijk-examen blijk te geven inzicht te hebben ten aanzien van de in artikel 3genoemde handelingen en manoeuvres door middel van:
a. het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b. het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c. het adequaat reageren in gevaarlijke situaties;
d. het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van verkeersagenten e.d.;
e. het naar behoren rekening te houden met andere weggebruikers, met name kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d., en op te letten in situaties waarin ander verkeer kan worden verwacht (kijkgedrag);
f. rekening te houden met weg- en weersomstandigheden;
g. het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h. het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan, stoppen, laden en lossen en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i. het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige bestuurders en weggebruikers;
j. te rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.
a. het letten op tekens en overige aanduidingen op de weg;
b. het tijdig en op juiste wijze geven van signalen aan de overige weggebruikers en tijdig en op juiste wijze te reageren op signalen van de overige weggebruikers;
c. het adequaat reageren in gevaarlijke situaties;
d. het tijdig en op juiste wijze reageren op tekens en aanwijzingen van verkeersagenten e.d.;
e. het naar behoren rekening te houden met andere weggebruikers, met name kwetsbare weggebruikers als voetgangers, fietsers e.d., en op te letten in situaties waarin ander verkeer kan worden verwacht (kijkgedrag);
f. rekening te houden met weg- en weersomstandigheden;
g. het op de juiste wijze verlenen van voorrang aan bestuurders en het voor laten gaan van weggebruikers die daar recht op hebben;
h. het innemen van de juiste plaats op de weg voor het uitvoeren van voorgenomen handelingen zoals inhalen, afslaan, stoppen, laden en lossen en het daarvoor geschikte dan wel bestemde weggedeelte te kiezen;
i. het houden van voldoende volgafstand ten opzichte van de overige bestuurders en weggebruikers;
j. te rijden met een veilige, aan de verkeersomstandigheden aangepaste snelheid en daarbij de geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.