BWBR0007925
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 22
Douanebesluit
1. Indien de vergunninghouder van een domiciliëringsprocedure op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte moet indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag van het tijdvak dat in de vergunning is opgenomen zijn ingediend. De aanvullende aangifte ziet op alle goederen welke in de loop van het voorafgaande tijdvak met toepassing van deze procedure een douanebestemming hebben gekregen.
2. In gevallen waarin het doen van aangifte binnen de in het eerste lid bedoelde termijn bijzondere bezwaren ontmoet, kan de inspecteur toestaan dat de aangifte wordt gedaan uiterlijk de tiende dag van het tijdvak volgend op die waarin de goederen een douanebestemming hebben gekregen.
3. In de aangifte wordt, onverminderd hetgeen ingevolge andere wettelijke bepalingen is vereist, als waarde vermeld de waarde op de dag waarop de goederen de douanebestemming hebben gekregen. Die dag wordt in de aangifte vermeld.
4. Indien de vergunninghouder van een vereenvoudigde aangifteprocedure op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte moet indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag na de dag waarop de vereenvoudigde aangifte is gedaan zijn ingediend bij de inspecteur bij wie de vereenvoudigde aangifte is gedaan.
5. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen of groepen van gevallen worden aangewezen waarin voor het doen van de aanvullende aangifte, bedoeld in het vierde lid, een termijn geldt die afwijkt van de in dat lid gestelde termijn of waarin deze aangifte periodiek wordt gedaan. Indien is bepaald dat de aanvullende aangifte periodiek wordt gedaan wordt steeds binnen een te bepalen termijn na het einde van het daartoe vastgestelde tijdvak, een aanvullende aangifte gedaan van alle goederen welke in de loop van dat tijdvak met toepassing van de vergunning hun douanebestemming hebben gekregen.
2. In gevallen waarin het doen van aangifte binnen de in het eerste lid bedoelde termijn bijzondere bezwaren ontmoet, kan de inspecteur toestaan dat de aangifte wordt gedaan uiterlijk de tiende dag van het tijdvak volgend op die waarin de goederen een douanebestemming hebben gekregen.
3. In de aangifte wordt, onverminderd hetgeen ingevolge andere wettelijke bepalingen is vereist, als waarde vermeld de waarde op de dag waarop de goederen de douanebestemming hebben gekregen. Die dag wordt in de aangifte vermeld.
4. Indien de vergunninghouder van een vereenvoudigde aangifteprocedure op grond van wettelijke bepalingen een aanvullende aangifte moet indienen, moet deze aangifte vóór de derde werkdag na de dag waarop de vereenvoudigde aangifte is gedaan zijn ingediend bij de inspecteur bij wie de vereenvoudigde aangifte is gedaan.
5. Bij ministeriële regeling kunnen gevallen of groepen van gevallen worden aangewezen waarin voor het doen van de aanvullende aangifte, bedoeld in het vierde lid, een termijn geldt die afwijkt van de in dat lid gestelde termijn of waarin deze aangifte periodiek wordt gedaan. Indien is bepaald dat de aanvullende aangifte periodiek wordt gedaan wordt steeds binnen een te bepalen termijn na het einde van het daartoe vastgestelde tijdvak, een aanvullende aangifte gedaan van alle goederen welke in de loop van dat tijdvak met toepassing van de vergunning hun douanebestemming hebben gekregen.