BWBR0007925
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 19
Douanebesluit
1. De aangifte ten uitvoer wordt gedaan:
a. ten aanzien van goederen welke worden uitgevoerd ter voldoening aan de verplichting welke voortvloeit uit de douaneregeling waaronder zij waren geplaatst, op de voor het doen van de aangifte ten uitvoer aangewezen plaats, indien deze plaats in de wettelijke bepalingen of in de op de betreffende douaneregeling betrekking hebbende vergunning is aangewezen;
b. in andere gevallen bij de inspecteur onder wie de exporteur ressorteert of onder wie de plaats ressorteert waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen.
2. De inspecteur kan bepalen dat in de gevallen, andere dan die bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarin het wenselijk wordt geacht om de controle van de aangifte ten uitvoer te laten plaatsvinden op een douanekantoor zo dicht mogelijk gelegen bij de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen, de aangifte ten uitvoer wordt gedaan op een door hem aan te wijzen douanekantoor.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan de aangifte ten uitvoer eveneens worden gedaan op bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren voor zover deze goederen via deze kantoren Nederland zullen verlaten en voor zover de aangifte wordt gedaan door of ten behoeve van in Nederland gevestigde exporteurs.
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing indien ter zake van de wederuitvoer ingevolge wettelijke bepalingen een aangifte is vereist.
a. ten aanzien van goederen welke worden uitgevoerd ter voldoening aan de verplichting welke voortvloeit uit de douaneregeling waaronder zij waren geplaatst, op de voor het doen van de aangifte ten uitvoer aangewezen plaats, indien deze plaats in de wettelijke bepalingen of in de op de betreffende douaneregeling betrekking hebbende vergunning is aangewezen;
b. in andere gevallen bij de inspecteur onder wie de exporteur ressorteert of onder wie de plaats ressorteert waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen.
2. De inspecteur kan bepalen dat in de gevallen, andere dan die bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waarin het wenselijk wordt geacht om de controle van de aangifte ten uitvoer te laten plaatsvinden op een douanekantoor zo dicht mogelijk gelegen bij de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen, de aangifte ten uitvoer wordt gedaan op een door hem aan te wijzen douanekantoor.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan de aangifte ten uitvoer eveneens worden gedaan op bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren voor zover deze goederen via deze kantoren Nederland zullen verlaten en voor zover de aangifte wordt gedaan door of ten behoeve van in Nederland gevestigde exporteurs.
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing indien ter zake van de wederuitvoer ingevolge wettelijke bepalingen een aangifte is vereist.