1. De minister beslist op de aanvraag binnen vier maanden na ontvangst.
2. Het budget, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt verdeeld in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld ten aanzien van de verdeling als datum van ontvangst geldt.
3. De minister kan de aanvraag afwijzen indien:
a. deze onjuiste of onvolledige gegevens bevat en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op de aanvraag zou hebben geleid;
b. het havenproject nog niet uitvoeringsgereed is op grond van de stand van zaken met betrekking tot: de bestuurlijke besluitvorming;
de benodigde vergunningen;
eventuele planologische procedures;
de financiering.
de bestuurlijke besluitvorming;
de benodigde vergunningen;
eventuele planologische procedures;
de financiering.
4. De aanvraag wordt in elk geval afgewezen:
a. indien het havenproject waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van de minister niet voldoet aan artikel 2;
b. voor het gedeelte waarmee het subsidiebudget door verstrekking van de subsidie zou worden overschreden of indien het budget is uitgeput;
c. indien de beschikking, waarbij de Europese Commissie ingevolge artikel 93, tweede lid, EG-Verdrag heeft vastgesteld dat het voornemen tot subsidieverlening een steunmaatregel is die niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, onherroepelijk is geworden;
d. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel uitgevoerd zullen worden.