BWBR0007890
Geldig vanaf 1996-02-18
Artikel 15
Statuut agentschap rijksarchiefdienst
Het hoofd van de rijksarchiefdienst hoort het hoofd van de Directie Personeel en Organisatie, alvorens ten aanzien van een ambtenaar een van de volgende besluiten te nemen:
a. het stopzetten van de bezoldiging bij opzettelijke nalatigheid, bedoeld in artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. het verlenen van buitengewoon verlof van lange duur in het algemeen belang, bedoeld in artikel 34d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
c. het toekennen van bijzondere voorzieningen, bedoeld in de artikelen 43 tot en met 45 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
d. het opleggen van de verplichting tot schadevergoeding, bedoeld in artikel 66 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
e. het toekennen van een geldelijke tegemoetkoming, bedoeld in artikel 69 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, indien die tegemoetkoming meer bedraagt dan € 10.000;
f. het opleggen van disciplinaire straffen, bedoeld in Hoofdstuk VIII van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
g. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt en het inhouden van de bezoldiging, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, of
h. het onvrijwillig ontslaan, bedoeld in de artikelen 98, eerste lid, sub a tot en met e en sub g en i, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
a. het stopzetten van de bezoldiging bij opzettelijke nalatigheid, bedoeld in artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. het verlenen van buitengewoon verlof van lange duur in het algemeen belang, bedoeld in artikel 34d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
c. het toekennen van bijzondere voorzieningen, bedoeld in de artikelen 43 tot en met 45 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
d. het opleggen van de verplichting tot schadevergoeding, bedoeld in artikel 66 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
e. het toekennen van een geldelijke tegemoetkoming, bedoeld in artikel 69 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, indien die tegemoetkoming meer bedraagt dan € 10.000;
f. het opleggen van disciplinaire straffen, bedoeld in Hoofdstuk VIII van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
g. het schorsen van een ambtenaar in zijn ambt en het inhouden van de bezoldiging, bedoeld in de artikelen 90 tot en met 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, of
h. het onvrijwillig ontslaan, bedoeld in de artikelen 98, eerste lid, sub a tot en met e en sub g en i, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.