BWBR0007866
Geldig vanaf 1996-03-01
Artikel 10
Regeling rijksbijdrage exploitatie Westerscheldeveerdiensten 1995
1. De bepalingen van artikel 3tot en met 8 zijn niet van toepassing:
a. met ingang van 1 januari van het jaar volgend op de datum waarop tussen de minister en de provincie komt vast te staan dat de vaste oeververbinding Westerschelde niet eerder dan 1 januari 2004 gerealiseerd kan zijn; dan wel
b. met ingang van januari 1997 indien voor of op die datum nog geen overeenkomst tussen de provincie en de minister omtrent de vaste oeververbinding Westerschelde is gesloten.
2. In de situatie genoemd in het eerste lid, stelt de provincie de bedragen, welke op grond van artikel 7, eerste lid, als voorwaardelijke afkoopsommen zijn betaald, met de daadwerkelijk genoten rente, op dat moment ter beschikking van de minister.
3. In de situatie genoemd in het eerste lid, stelt de minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met de provincie, zo spoedig mogelijk een nieuwe regeling vast over de exploitatie van de Westerscheldeveerdiensten alsmede de verplichtingen van de minister en de provincie daarbij.
4. Zolang de in het derde lid bedoelde regeling niet is vastgesteld, wordt 75 % van de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bijdrage voor het eerstvolgende kalenderjaar als voorschotbedrag door de minister aan de provincie uitgekeerd, waarbij de bepalingen van deze regeling voor zover nog van toepassing worden uitgevoerd.
5. Indien deze regeling vervalt op grond van het eerste lid, onderdeel b, stelt de Provincie 25% van de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bijdrage, met de daadwerkelijk genoten rente op dat moment ter beschikking van de minister.
6. Indien in het vierde lid bedoelde kalenderjaar alsnog een regeling wordt vastgesteld over de hoogte van de bijdrage van de minister in de periode van een nieuwe regeling, vindt binnen twee maanden na de vaststelling verrekening plaats van het verschil tussen de alsdan vastgestelde bijdrage van de minister en het reeds uitgekeerde voorschot van dat jaar.
a. met ingang van 1 januari van het jaar volgend op de datum waarop tussen de minister en de provincie komt vast te staan dat de vaste oeververbinding Westerschelde niet eerder dan 1 januari 2004 gerealiseerd kan zijn; dan wel
b. met ingang van januari 1997 indien voor of op die datum nog geen overeenkomst tussen de provincie en de minister omtrent de vaste oeververbinding Westerschelde is gesloten.
2. In de situatie genoemd in het eerste lid, stelt de provincie de bedragen, welke op grond van artikel 7, eerste lid, als voorwaardelijke afkoopsommen zijn betaald, met de daadwerkelijk genoten rente, op dat moment ter beschikking van de minister.
3. In de situatie genoemd in het eerste lid, stelt de minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met de provincie, zo spoedig mogelijk een nieuwe regeling vast over de exploitatie van de Westerscheldeveerdiensten alsmede de verplichtingen van de minister en de provincie daarbij.
4. Zolang de in het derde lid bedoelde regeling niet is vastgesteld, wordt 75 % van de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bijdrage voor het eerstvolgende kalenderjaar als voorschotbedrag door de minister aan de provincie uitgekeerd, waarbij de bepalingen van deze regeling voor zover nog van toepassing worden uitgevoerd.
5. Indien deze regeling vervalt op grond van het eerste lid, onderdeel b, stelt de Provincie 25% van de in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bijdrage, met de daadwerkelijk genoten rente op dat moment ter beschikking van de minister.
6. Indien in het vierde lid bedoelde kalenderjaar alsnog een regeling wordt vastgesteld over de hoogte van de bijdrage van de minister in de periode van een nieuwe regeling, vindt binnen twee maanden na de vaststelling verrekening plaats van het verschil tussen de alsdan vastgestelde bijdrage van de minister en het reeds uitgekeerde voorschot van dat jaar.