BWBR0007769
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel VI
Wijzigingswet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, enz. (afschaffing verzekeraarsbudgettering)
1. De reserves die bij het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar en het uitvoerend orgaan na vaststelling van de uitkeringen krachtens artikel 40 van de Wet financiering volksverzekeringenuit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten over de jaren 1992 tot en met 1995 aanwezig zijn en die uit die uitkeringen of uit de nominale premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenzijn gevormd, komen ten gunste van dat Fonds. Onder de reserves worden mede begrepen de met de genoemde uitkeringen, premie en reserves verkregen opbrengsten. Negatieve reserves komen niet ten laste van het Fonds.
2. Het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetstelt voor ieder ziekenfonds, ziektekostenverzekeraar en uitvoerend orgaan het bedrag van de reserve vast.
3. Bij de vaststelling van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, houdt het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetgeen rekening met de financiële gevolgen die voortvloeien uit een verlaging van het ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenvastgestelde bedrag van de nominale premie, die heeft plaatsgevonden na 31 mei 1995 ten opzichte van het voor dat tijdstip door het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan aan verzekerden in rekening gebrachte bedrag van de nominale premie.
4. Het ingevolge het tweede lid vastgestelde bedrag wordt door het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar en het uitvoerend orgaan binnen een door het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetvast te stellen termijn in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten gestort.
5. Het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetkan het in het tweede lid bedoelde bedrag verrekenen met uitkeringen en voorschotten op die uitkeringen uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten aan het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar en het uitvoerend orgaan.
2. Het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetstelt voor ieder ziekenfonds, ziektekostenverzekeraar en uitvoerend orgaan het bedrag van de reserve vast.
3. Bij de vaststelling van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, houdt het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetgeen rekening met de financiële gevolgen die voortvloeien uit een verlaging van het ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekostenvastgestelde bedrag van de nominale premie, die heeft plaatsgevonden na 31 mei 1995 ten opzichte van het voor dat tijdstip door het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan aan verzekerden in rekening gebrachte bedrag van de nominale premie.
4. Het ingevolge het tweede lid vastgestelde bedrag wordt door het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar en het uitvoerend orgaan binnen een door het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetvast te stellen termijn in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten gestort.
5. Het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswetkan het in het tweede lid bedoelde bedrag verrekenen met uitkeringen en voorschotten op die uitkeringen uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten aan het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar en het uitvoerend orgaan.