BWBR0007513
Geldig vanaf 1995-10-01
Artikel 6
Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet
1. De verklaring verliest zijn geldigheid van rechtswege, indien zich een van de navolgende omstandigheden voordoet:
a. de houder van een verklaring voldoet niet meer aan de eisen voor afgifte, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 1°;
b. de houder van een verklaring niet telkens na perioden van twee jaar na de afgifte van de verklaring een geldige geneeskundige verklaring zeevaart en een geldige verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, overlegt aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven;
c. na de toepassing van artikel 9, tweede lid, is geen scheepsnaam meer in de verklaring vermeld;
d. de houder van de verklaring heeft de bevoegdheid verloren om als kapitein of stuurman op te treden aan boord van een zeeschip; of
e. de houder van de verklaring bevaart de scheepvaartweg waarvoor de verklaring is afgegeven niet met het bij artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 2°, of 4, tweede lid, bepaalde aantal malen als verkeersdeelnemer aan boord van het zeeschip waarop de verklaring betrekking heeft.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de regionale autoriteit een verklaring tijdelijk of permanent intrekken indien zich een van de navolgende omstandigheden voordoet:
a. de houder van de verklaring komt de in dit besluit bedoelde verplichtingen niet na;
b. de houder van de verklaring komt de voor de scheepvaartweg geldende reglementen en voorschriften niet na;
c. de houder van de verklaring voldoet niet aan de eisen, gesteld voor de afgifte van de verklaringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d;
d. het zeeschip waarop de verklaring betrekking heeft is verbouwd; of
e. de houder van de verklaring treedt niet op zoals het een goed verkeersdeelnemer betaamt.
3. De houder van een verklaring is verplicht de verklaring na verlies van geldigheid of na intrekking onverwijld te doen toekomen aan de regionale autoriteit.
4. Indien een andere regionale autoriteit dan degene die de verklaring heeft afgegeven kennis draagt van het feit dat zich een van de in het tweede lid genoemde omstandigheden voordoet, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven.
a. de houder van een verklaring voldoet niet meer aan de eisen voor afgifte, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 1°;
b. de houder van een verklaring niet telkens na perioden van twee jaar na de afgifte van de verklaring een geldige geneeskundige verklaring zeevaart en een geldige verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoor als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, overlegt aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven;
c. na de toepassing van artikel 9, tweede lid, is geen scheepsnaam meer in de verklaring vermeld;
d. de houder van de verklaring heeft de bevoegdheid verloren om als kapitein of stuurman op te treden aan boord van een zeeschip; of
e. de houder van de verklaring bevaart de scheepvaartweg waarvoor de verklaring is afgegeven niet met het bij artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 2°, of 4, tweede lid, bepaalde aantal malen als verkeersdeelnemer aan boord van het zeeschip waarop de verklaring betrekking heeft.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de regionale autoriteit een verklaring tijdelijk of permanent intrekken indien zich een van de navolgende omstandigheden voordoet:
a. de houder van de verklaring komt de in dit besluit bedoelde verplichtingen niet na;
b. de houder van de verklaring komt de voor de scheepvaartweg geldende reglementen en voorschriften niet na;
c. de houder van de verklaring voldoet niet aan de eisen, gesteld voor de afgifte van de verklaringen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d;
d. het zeeschip waarop de verklaring betrekking heeft is verbouwd; of
e. de houder van de verklaring treedt niet op zoals het een goed verkeersdeelnemer betaamt.
3. De houder van een verklaring is verplicht de verklaring na verlies van geldigheid of na intrekking onverwijld te doen toekomen aan de regionale autoriteit.
4. Indien een andere regionale autoriteit dan degene die de verklaring heeft afgegeven kennis draagt van het feit dat zich een van de in het tweede lid genoemde omstandigheden voordoet, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de regionale autoriteit die de verklaring heeft afgegeven.