BWBR0007513
Geldig vanaf 1995-10-01
Artikel 23
Besluit verklaringhouders Scheepvaartverkeerswet
1. Een proefreis als bedoeld in artikel 21, onderdeel c, wordt per kandidaat afgenomen door een of meer beoordelaars, die geen lid behoeven te zijn van de examencommissie en die de kandidaat beoordelen op de wijze waarop deze de navigatie leidt. De beoordelaar of beoordelaars houden aantekening van de inhoud en het verloop van de proefreis en de simulatortoets, bedoeld in artikel 21, onderdeel c, en brengen daarvan schriftelijk verslag uit aan de examencommissie, en in afschrift aan de commissie van gecommitteerden. De regionale autoriteit kan bepalen dat de proefreis en de simulatortoets worden afgenomen in aanwezigheid van een gecommitteerde.
2. De beoordelaar of beoordelaars, bedoeld in het eerste lid, worden per proefreis aangewezen door of namens:
a. het bestuur van de regionale loodsencorporatie, indien het examen wordt afgenomen door een examencommissie als bedoeld in artikel 10, en
b. de regionale autoriteit, indien het examen wordt afgenomen door een examencommissie als bedoeld in artikel 11.
3. Indien de betreffende gecommitteerden naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde verslagen daartoe redenen aanwezig achten, kunnen zij de kandidaat toestaan een door hen vastgesteld aantal extra reizen te maken, al dan niet in aanwezigheid van een gecommitteerde.
4. Op de beoordelaars, bedoeld in het eerste lid, zijn de bepalingen ten aanzien van examinatoren van overeenkomstige toepassing.
2. De beoordelaar of beoordelaars, bedoeld in het eerste lid, worden per proefreis aangewezen door of namens:
a. het bestuur van de regionale loodsencorporatie, indien het examen wordt afgenomen door een examencommissie als bedoeld in artikel 10, en
b. de regionale autoriteit, indien het examen wordt afgenomen door een examencommissie als bedoeld in artikel 11.
3. Indien de betreffende gecommitteerden naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde verslagen daartoe redenen aanwezig achten, kunnen zij de kandidaat toestaan een door hen vastgesteld aantal extra reizen te maken, al dan niet in aanwezigheid van een gecommitteerde.
4. Op de beoordelaars, bedoeld in het eerste lid, zijn de bepalingen ten aanzien van examinatoren van overeenkomstige toepassing.