BWBR0007512
Geldig vanaf 2002-08-01
Artikel 8b
Loodsplichtbesluit 1995
1. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip, met uitzondering van een zeeschip met gevaarlijke lading, op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing van de loodsplicht verlenen, indien het betreft:
a. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter, of een diepgang tot en met 7 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder II., aangegeven scheepvaartwegen;
b. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter, of een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder III., aangegeven scheepvaartwegen;
c. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter, en een diepgang tot en met 7 meter voor zeeschepen met de zeehaven Het Nieuwe Diep te Den Helder als bestemming of vertrekpunt en een diepgang van ten hoogste 5 meter voor zeeschepen met de Koopvaardersbinnenhaven te Den Helder als bestemming of vertrekpunt, op de in de bijlage bij dit besluit, onder IV., aangegeven scheepvaartwegen;
d. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of een diepgang tot en met 4 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder V., aangegeven scheepvaartwegen;
e. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of een diepgang tot en met 2,5 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder VI., VII. en IX., aangegeven scheepvaartwegen;
f. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder VIII., aangegeven scheepvaartwegen;
g. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter op de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punten II. en III., aangegeven scheepvaartwegen.
2. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip, met uitzondering van een zeeschip met gevaarlijke lading, op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing van de loodsplicht verlenen, indien het betreft zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter op de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punt IV., aangegeven scheepvaartwegen.
3. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden verleend indien:
a. degene die het schip als verkeersdeelnemer zal voeren, alsmede de overige bemanningsleden van het schip, voldoen aan door de bevoegde autoriteit vast te stellen eisen met betrekking tot samenstelling, opleidings- en ervaringsniveau en beheersing van Nederlandse of de Engelse taal;
b. de desbetreffende verkeersdeelnemers met het schip de betreffende scheepvaartweg een door de bevoegde autoriteit vast te stellen aantal malen in beide richtingen naar zee gaand en van zee komend hebben bevaren, en
c. het schip naar het oordeel van de bevoegde autoriteit zodanige manoeuvreereigenschappen bezit en voorzien is van zodanige navigatie- en communicatieapparatuur, dat het bevaren van de scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een loods naar het oordeel van de bevoegde autoriteit toelaatbaar is.
4. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend voor de daarbij aan te geven loodsplichtige scheepvaartwegen of gedeelten daarvan.
5. De bevoegde autoriteit kan, indien de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de scheepvaartweg dit naar zijn oordeel vereisen, aan de ontheffingen te verbinden voorschriften of beperkingen geven en bevestigen op de wijze, bepaald in artikel 2, vierde lid.
a. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter, of een diepgang tot en met 7 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder II., aangegeven scheepvaartwegen;
b. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter, of een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder III., aangegeven scheepvaartwegen;
c. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 115 meter, en een diepgang tot en met 7 meter voor zeeschepen met de zeehaven Het Nieuwe Diep te Den Helder als bestemming of vertrekpunt en een diepgang van ten hoogste 5 meter voor zeeschepen met de Koopvaardersbinnenhaven te Den Helder als bestemming of vertrekpunt, op de in de bijlage bij dit besluit, onder IV., aangegeven scheepvaartwegen;
d. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of een diepgang tot en met 4 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder V., aangegeven scheepvaartwegen;
e. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of een diepgang tot en met 2,5 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder VI., VII. en IX., aangegeven scheepvaartwegen;
f. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter, of een diepgang tot en met 6 meter, op de in de bijlage bij dit besluit, onder VIII., aangegeven scheepvaartwegen;
g. zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter op de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punten II. en III., aangegeven scheepvaartwegen.
2. De bevoegde autoriteit kan de kapitein van een zeeschip, met uitzondering van een zeeschip met gevaarlijke lading, op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing van de loodsplicht verlenen, indien het betreft zeeschepen met een lengte over alles tot en met 95 meter op de in de bijlage bij de Scheepvaartverkeerswet, punt IV., aangegeven scheepvaartwegen.
3. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden verleend indien:
a. degene die het schip als verkeersdeelnemer zal voeren, alsmede de overige bemanningsleden van het schip, voldoen aan door de bevoegde autoriteit vast te stellen eisen met betrekking tot samenstelling, opleidings- en ervaringsniveau en beheersing van Nederlandse of de Engelse taal;
b. de desbetreffende verkeersdeelnemers met het schip de betreffende scheepvaartweg een door de bevoegde autoriteit vast te stellen aantal malen in beide richtingen naar zee gaand en van zee komend hebben bevaren, en
c. het schip naar het oordeel van de bevoegde autoriteit zodanige manoeuvreereigenschappen bezit en voorzien is van zodanige navigatie- en communicatieapparatuur, dat het bevaren van de scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een loods naar het oordeel van de bevoegde autoriteit toelaatbaar is.
4. De ontheffingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend voor de daarbij aan te geven loodsplichtige scheepvaartwegen of gedeelten daarvan.
5. De bevoegde autoriteit kan, indien de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de scheepvaartweg dit naar zijn oordeel vereisen, aan de ontheffingen te verbinden voorschriften of beperkingen geven en bevestigen op de wijze, bepaald in artikel 2, vierde lid.