BWBR0007512
Geldig vanaf 2002-08-01
Artikel 2
Loodsplichtbesluit 1995
1. De aanwijzing van een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswetwordt gepubliceerd in de Staatscourant.
2. De bevoegde autoriteit legt door middel van een aanwijzing loodsplicht op aan de kapitein van een zeeschip:
a. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, indien de kapitein van dat schip van loodsplicht is vrijgesteld, of
b. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet,
uitsluitend indien er naar zijn oordeel sprake is van een situatie waarbij de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de scheepvaartweg van dien aard zijn dat het bevaren van die scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een loods ontoelaatbaar is.
3. Onze Minister geeft aanwijzingen met betrekking tot de gevallen waarin van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid gebruik gemaakt dient te worden ten aanzien van vaartuigen gebouwd of ingericht voor het winnen of vervoeren van zand, baggerspecie of grind, die tijdens de vaart op een scheepvaartweg voor dit doel worden gebruikt.
4. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mondeling door de bevoegde autoriteit, zo mogelijk via de marifoon, aan de kapitein of verkeersdeelnemer van het schip gegeven, wordt onverwijld ter kennis gebracht van de desbetreffende regionale loodsencorporatie en wordt zo spoedig mogelijk na het geven van die aanwijzing schriftelijk bevestigd.
2. De bevoegde autoriteit legt door middel van een aanwijzing loodsplicht op aan de kapitein van een zeeschip:
a. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, indien de kapitein van dat schip van loodsplicht is vrijgesteld, of
b. op een scheepvaartweg als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet,
uitsluitend indien er naar zijn oordeel sprake is van een situatie waarbij de weersomstandigheden of omstandigheden met betrekking tot het schip, de opvarenden, de lading, de scheepvaart of de scheepvaartweg van dien aard zijn dat het bevaren van die scheepvaartweg zonder gebruik te maken van de diensten van een loods ontoelaatbaar is.
3. Onze Minister geeft aanwijzingen met betrekking tot de gevallen waarin van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid gebruik gemaakt dient te worden ten aanzien van vaartuigen gebouwd of ingericht voor het winnen of vervoeren van zand, baggerspecie of grind, die tijdens de vaart op een scheepvaartweg voor dit doel worden gebruikt.
4. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mondeling door de bevoegde autoriteit, zo mogelijk via de marifoon, aan de kapitein of verkeersdeelnemer van het schip gegeven, wordt onverwijld ter kennis gebracht van de desbetreffende regionale loodsencorporatie en wordt zo spoedig mogelijk na het geven van die aanwijzing schriftelijk bevestigd.