BWBR0007370
Geldig vanaf 1995-04-29
Artikel 9
Subsidieregeling ESF doelstelling 4 ’Scholing voor behoud van werk’
1. De subsidie wordt geweigerd:
a. indien niet wordt voldaan aan de in artikelen 2 t/m 6 en 8 genoemde voorwaarden;
b. indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten effecten;
c. indien onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de uitvoering van het project te maken kosten;
d. indien, gelet op het totaal der toekenningen die hebben plaatsgevonden, het ter beschikking staande jaarbudget, als vermeld in artikel 7, zal worden uitgeput.
2. 2 Indien het eerste lid onder d toepassing dient te vinden, wordt voorrang verleend aan:
a. projecten die zich richten op laagopgeleide werknemers in ondernemingen met minder dan 250 werknemers, vervolgens
b. projecten die zich richten op laagopgeleide werknemers in andere ondernemingen dan die, bedoeld onder a, vervolgens
c. projecten die zich richten op niet-laagopgeleide werknemers in ondernemingen met minder dan 250 werknemers, en als laatste
d. projecten die zich richten op niet-laagopgeleide werknemers in andere ondernemingen dan die, bedoeld onder a.
3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van de stand van zaken op datum aanvraag, waarbij in deeltijd werkzame werknemers naar rato worden omgerekend naar voltijdwerknemers, en waarbij ondernemingen waarvan de gegevens verwerkt zijn in een geconsolideerde jaarrekening als 1 onderneming worden beschouwd. Voorts kan de subsidie worden geweigerd indien dit nodig is om een spreiding van de subsidiëring over verschillende typen projecten te bewerkstelligen.
4. In afwijking van het tweede lid wordt 25% van de krachtens artikel 7, tweede lid, aan het budget van enig jaar toegevoegde middelen bij voorrang toegekend ten behoeve van projecten als bedoeld in het tweede lid onder b.
a. indien niet wordt voldaan aan de in artikelen 2 t/m 6 en 8 genoemde voorwaarden;
b. indien de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten effecten;
c. indien onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de uitvoering van het project te maken kosten;
d. indien, gelet op het totaal der toekenningen die hebben plaatsgevonden, het ter beschikking staande jaarbudget, als vermeld in artikel 7, zal worden uitgeput.
2. 2 Indien het eerste lid onder d toepassing dient te vinden, wordt voorrang verleend aan:
a. projecten die zich richten op laagopgeleide werknemers in ondernemingen met minder dan 250 werknemers, vervolgens
b. projecten die zich richten op laagopgeleide werknemers in andere ondernemingen dan die, bedoeld onder a, vervolgens
c. projecten die zich richten op niet-laagopgeleide werknemers in ondernemingen met minder dan 250 werknemers, en als laatste
d. projecten die zich richten op niet-laagopgeleide werknemers in andere ondernemingen dan die, bedoeld onder a.
3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van de stand van zaken op datum aanvraag, waarbij in deeltijd werkzame werknemers naar rato worden omgerekend naar voltijdwerknemers, en waarbij ondernemingen waarvan de gegevens verwerkt zijn in een geconsolideerde jaarrekening als 1 onderneming worden beschouwd. Voorts kan de subsidie worden geweigerd indien dit nodig is om een spreiding van de subsidiëring over verschillende typen projecten te bewerkstelligen.
4. In afwijking van het tweede lid wordt 25% van de krachtens artikel 7, tweede lid, aan het budget van enig jaar toegevoegde middelen bij voorrang toegekend ten behoeve van projecten als bedoeld in het tweede lid onder b.