BWBR0007370
Geldig vanaf 1995-04-29
Artikel 10
Subsidieregeling ESF doelstelling 4 ’Scholing voor behoud van werk’
1. De subsidie wordt berekend over het totaal van de noodzakelijk ten behoeve van de voorbereiding, de uitvoering en het beheer van een project gemaakte kosten, voorzover deze bestaan uit:
a. kosten van instructiepersoneel;
b. kosten van aanschaf of afschrijving van voor het project noodzakelijke verbruiksgoederen en gereedschappen;
c. kosten van huur en gebruik van kantoorruimtes en leslokalen, daaronder begrepen de kosten van aanpassing van die lokalen teneinde deze toegankelijk te maken voor gehandicapten;
d. kosten van studiemateriaal en van eventueel bij de studie te dragen kleding;
e. aan deelnemers verstrekte reiskostenvergoedingen, voorzovergeen betrekking hebbend op het normale woon-werkverkeer;
f. de kosten van aan deelnemers verstrekte inkomensvervangende uitkeringen of van loondoorbetaling aan deelnemers over niet gewerkte scholingsuren;
g. aan het project toerekenbare overheadkosten.
2. Bij de toepassing van het eerste lid blijven buiten beschouwing kosten die uit anderen hoofde worden bekostigd, dan wel die toegerekend kunnen worden aan de normale bedrijfsvoering.
3. De subsidie gaat een bij de toekenningsbeschikking te bepalen maximum niet te boven, en bedraagt:
a. 45% van de door degene aan wie de subsidie is toegekend feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3 onder a en b;
b. 33 1/3% van de door degene aan wie de subsidie is toegekend feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten kosten als bedoeld in artikel 3 onder c.
4. Het maximum, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door degene aan wie de subsidie is toegekend geraamd in zijn subsidie-aanvraag, met dien verstande, dat bepaalde, in de toekennings-beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.
a. kosten van instructiepersoneel;
b. kosten van aanschaf of afschrijving van voor het project noodzakelijke verbruiksgoederen en gereedschappen;
c. kosten van huur en gebruik van kantoorruimtes en leslokalen, daaronder begrepen de kosten van aanpassing van die lokalen teneinde deze toegankelijk te maken voor gehandicapten;
d. kosten van studiemateriaal en van eventueel bij de studie te dragen kleding;
e. aan deelnemers verstrekte reiskostenvergoedingen, voorzovergeen betrekking hebbend op het normale woon-werkverkeer;
f. de kosten van aan deelnemers verstrekte inkomensvervangende uitkeringen of van loondoorbetaling aan deelnemers over niet gewerkte scholingsuren;
g. aan het project toerekenbare overheadkosten.
2. Bij de toepassing van het eerste lid blijven buiten beschouwing kosten die uit anderen hoofde worden bekostigd, dan wel die toegerekend kunnen worden aan de normale bedrijfsvoering.
3. De subsidie gaat een bij de toekenningsbeschikking te bepalen maximum niet te boven, en bedraagt:
a. 45% van de door degene aan wie de subsidie is toegekend feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3 onder a en b;
b. 33 1/3% van de door degene aan wie de subsidie is toegekend feitelijk gemaakte en noodzakelijk te achten kosten als bedoeld in artikel 3 onder c.
4. Het maximum, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door degene aan wie de subsidie is toegekend geraamd in zijn subsidie-aanvraag, met dien verstande, dat bepaalde, in de toekennings-beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.