BWBR0007342
Geldig vanaf 1995-10-01
Artikel 22
Loodsgeldbesluit 1995
1. Voor een zeeschip dat een proeftocht maakt op de binnenwateren of in het zeegat binnenwaarts de uiterton, is telkens voor een afgelegde afstand van 8 zeemijlen loodsgeld volgens het B-tarief verschuldigd, waarbij gedeelten van deze afstand als 8 zeemijlen worden berekend.
2. Indien de proefreis, bedoeld in het eerste lid, zich daarna uitstrekt tot een positie zeewaarts de uiterton, is vanaf het punt waarop het schip koers zet naar zee, voor het bevaren van het zeetraject of een gedeelte daarvan, loodsgeld volgens het Z-tarief verschuldigd. Bij terugkeer uit zee is nogmaals loodsgeld volgens het Z-tarief verschuldigd.
3. Indien hierop aansluitend binnenwaarts de uiterton op het zeetraject wordt heen en weer gekoerst, is loodsgeld volgens het B-tarief op de wijze, bedoeld in het eerste lid, verschuldigd vanaf het punt waarop het schip voor de eerste maal weer koers zet in de richting naar zee en, indien dit op het binnentraject geschiedt, vanaf het punt waarop voor de eerste maal de zeehaven wordt voorbijgevaren of verlaten.
2. Indien de proefreis, bedoeld in het eerste lid, zich daarna uitstrekt tot een positie zeewaarts de uiterton, is vanaf het punt waarop het schip koers zet naar zee, voor het bevaren van het zeetraject of een gedeelte daarvan, loodsgeld volgens het Z-tarief verschuldigd. Bij terugkeer uit zee is nogmaals loodsgeld volgens het Z-tarief verschuldigd.
3. Indien hierop aansluitend binnenwaarts de uiterton op het zeetraject wordt heen en weer gekoerst, is loodsgeld volgens het B-tarief op de wijze, bedoeld in het eerste lid, verschuldigd vanaf het punt waarop het schip voor de eerste maal weer koers zet in de richting naar zee en, indien dit op het binnentraject geschiedt, vanaf het punt waarop voor de eerste maal de zeehaven wordt voorbijgevaren of verlaten.