BWBR0007138
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 8
Brandweerregeling Burgerluchtvaartterreinen
1. Het brandweer- en reddingsmaterieel op luchtvaartterreinen bestaat tenminste uit brandweervoertuigen zoals opgenomen in bijlage Ben eventueel voorgeschreven bijzonder materieel.
2. De voorgeschreven brandweervoertuigen bezitten zodanige eigenschappen dat onder de gemiddelde weers- en terreinomstandigheden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein kan worden geopereerd.
3. Een luchtvaartterrein dat tussen zonsondergang en zonsopgang is opengesteld beschikt, ten behoeve van opsporings- en reddingswerkzaamheden alsmede voor de verlichting van het werkterrein, over adequate verlichtingsmiddelen.
4. Bij aanwezigheid van waterrijke of drassige gebieden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein draagt de exploitant zorg voor voldoende en doelmatige reddingsmiddelen.
5. Op ten minste één van de voertuigen opgenomen in bijlage Bis adequaat redgereedschap aanwezig voor de onmiddellijke hulpverlening.
6. Op gecontroleerde luchtvaartterreinen en luchtvaartterreinen waarvan de brandrisicoklasse 4 of hoger bedraagt, zijn de brandweervoertuigen voorzien van adequate verbindingsapparatuur voor het onderhouden van contact met ten minste:
a. de brandweervoertuigen onderling;
b. de meldingspost;
c. de plaatselijke verkeersleidingsdienst.
7. Het brandweerpersoneel beschikt over een uitrusting die zijn persoonlijke bescherming zo goed mogelijk waarborgt.
8. Voor het materieel en de middelen bedoeld in de vorige leden kunnen nadere voorwaarden worden gegeven.
2. De voorgeschreven brandweervoertuigen bezitten zodanige eigenschappen dat onder de gemiddelde weers- en terreinomstandigheden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein kan worden geopereerd.
3. Een luchtvaartterrein dat tussen zonsondergang en zonsopgang is opengesteld beschikt, ten behoeve van opsporings- en reddingswerkzaamheden alsmede voor de verlichting van het werkterrein, over adequate verlichtingsmiddelen.
4. Bij aanwezigheid van waterrijke of drassige gebieden op of in de onmiddellijke omgeving van het luchtvaartterrein draagt de exploitant zorg voor voldoende en doelmatige reddingsmiddelen.
5. Op ten minste één van de voertuigen opgenomen in bijlage Bis adequaat redgereedschap aanwezig voor de onmiddellijke hulpverlening.
6. Op gecontroleerde luchtvaartterreinen en luchtvaartterreinen waarvan de brandrisicoklasse 4 of hoger bedraagt, zijn de brandweervoertuigen voorzien van adequate verbindingsapparatuur voor het onderhouden van contact met ten minste:
a. de brandweervoertuigen onderling;
b. de meldingspost;
c. de plaatselijke verkeersleidingsdienst.
7. Het brandweerpersoneel beschikt over een uitrusting die zijn persoonlijke bescherming zo goed mogelijk waarborgt.
8. Voor het materieel en de middelen bedoeld in de vorige leden kunnen nadere voorwaarden worden gegeven.