BWBR0007138
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 6
Brandweerregeling Burgerluchtvaartterreinen
1. De exploitant van een luchtvaartterrein stelt voor het luchtvaartterrein een brandrisicoklasse vast.
2. De brandrisicoklasse wordt vastgesteld aan de hand van het aantal vliegtuigbewegingen van de vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse, welke gedurende de drie drukste opeenvolgende maanden van het jaar van het luchtvaartterrein gebruik maken.
3. Indien in deze drie maanden het aantal vliegtuigbewegingen van vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse 700 of meer bedraagt, krijgt het luchtvaartterrein dezelfde brandrisicoklasse als de vliegtuigen bedoeld in het vorige lid.
4. Indien in deze drie maanden het aantal vliegtuigbewegingen van vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse 700 of minder bedraagt, krijgt het luchtvaartterrein een brandrisicoklasse welke één klasse lager ligt dan de brandrisicoklasse van de vliegtuigen bedoeld in het tweede lid.
5. Tijdens perioden van verminderde vliegtuigbewegingen kan de exploitant voor het luchtvaartterrein een brandrisicoklasse vaststellen overeenkomstig de brandrisicoklasse van het grootste vliegtuig dat in deze periode het luchtvaartterrein gebruikt, ongeacht het aantal vliegtuigbewegingen.
6. Vaststelling en wijziging van de brandrisicoklasse van het luchtvaartterrein maakt de exploitant bekend aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.
7. Deze vaststelling of wijziging van de brandrisicoklasse wordt gemeld in de desbetreffende luchtvaartpublicaties. In spoedeisende gevallen wordt een NOTAM uitgegeven.
8. Indien de Minister van Verkeer en Waterstaat van mening is dat de brandrisicoklasse van het luchtvaartterrein niet overeenkomstig dit artikel is vastgesteld kan hij de exploitant opdragen de brandrisicoklasse te wijzigen, waartoe de exploitant zo spoedig mogelijk dient over te gaan.
2. De brandrisicoklasse wordt vastgesteld aan de hand van het aantal vliegtuigbewegingen van de vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse, welke gedurende de drie drukste opeenvolgende maanden van het jaar van het luchtvaartterrein gebruik maken.
3. Indien in deze drie maanden het aantal vliegtuigbewegingen van vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse 700 of meer bedraagt, krijgt het luchtvaartterrein dezelfde brandrisicoklasse als de vliegtuigen bedoeld in het vorige lid.
4. Indien in deze drie maanden het aantal vliegtuigbewegingen van vliegtuigen met de hoogste brandrisicoklasse 700 of minder bedraagt, krijgt het luchtvaartterrein een brandrisicoklasse welke één klasse lager ligt dan de brandrisicoklasse van de vliegtuigen bedoeld in het tweede lid.
5. Tijdens perioden van verminderde vliegtuigbewegingen kan de exploitant voor het luchtvaartterrein een brandrisicoklasse vaststellen overeenkomstig de brandrisicoklasse van het grootste vliegtuig dat in deze periode het luchtvaartterrein gebruikt, ongeacht het aantal vliegtuigbewegingen.
6. Vaststelling en wijziging van de brandrisicoklasse van het luchtvaartterrein maakt de exploitant bekend aan de Minister van Verkeer en Waterstaat.
7. Deze vaststelling of wijziging van de brandrisicoklasse wordt gemeld in de desbetreffende luchtvaartpublicaties. In spoedeisende gevallen wordt een NOTAM uitgegeven.
8. Indien de Minister van Verkeer en Waterstaat van mening is dat de brandrisicoklasse van het luchtvaartterrein niet overeenkomstig dit artikel is vastgesteld kan hij de exploitant opdragen de brandrisicoklasse te wijzigen, waartoe de exploitant zo spoedig mogelijk dient over te gaan.