BWBR0007081
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 24
Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers
1. Indien het voertuig blijkens mededeling van de RDW ten aanzien van de snelheidsbegrenzer aan een steekproef moet worden onderworpen, gelden voor de erkenninghouder de in de volgende leden genoemde verplichtingen.
2. De erkenninghouder mag in de staat van een voertuig dat aan een steekproef moet worden onderworpen, gedurende negentig minuten na de in artikel 23bedoelde melding geen wijziging aanbrengen of laten aanbrengen.
3. Aan een steekproef moet alle medewerking worden verleend. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan:
a. dat de persoon die ingevolge artikel 13 bevoegd is tot installeren, aanwezig is;
b. dat indien de keuring verricht is door een mobiele installatie-eenheid, deze eenheid bij de steekproef aanwezig is;
c. feitelijke assistentie wordt verleend bij het uitvoeren van de steekproef. Voorts moeten de ter zake door de Directeur gegeven aanwijzingen in acht worden genomen.
4. Indien bij de steekproef wordt vastgesteld dat de snelheidsbegrenzer niet overeenkomstig de voorschriften voor installatie is ingebouwd, afgesteld en verzegeld, wordt door de functionaris van de RDW een steekproefcontrolerapport opgemaakt welke door deze wordt ondertekend, alsmede door de persoon die de installatie heeft verricht.
5. De eigenaar of houder van een voertuig, waarvoor een steekproef wordt vereist:
a. moet voorafgaande aan de steekproef deel I A dan wel deel I van het kentekenbewijs, behorende bij het desbetreffende voertuig, aan de daartoe aangewezen functionaris van de RDW, overleggen,
b. mag in de in het tweede lid, bedoelde periode van 90 minuten geen wijzigingen brengen of laten brengen in de staat van het voertuig.
2. De erkenninghouder mag in de staat van een voertuig dat aan een steekproef moet worden onderworpen, gedurende negentig minuten na de in artikel 23bedoelde melding geen wijziging aanbrengen of laten aanbrengen.
3. Aan een steekproef moet alle medewerking worden verleend. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan:
a. dat de persoon die ingevolge artikel 13 bevoegd is tot installeren, aanwezig is;
b. dat indien de keuring verricht is door een mobiele installatie-eenheid, deze eenheid bij de steekproef aanwezig is;
c. feitelijke assistentie wordt verleend bij het uitvoeren van de steekproef. Voorts moeten de ter zake door de Directeur gegeven aanwijzingen in acht worden genomen.
4. Indien bij de steekproef wordt vastgesteld dat de snelheidsbegrenzer niet overeenkomstig de voorschriften voor installatie is ingebouwd, afgesteld en verzegeld, wordt door de functionaris van de RDW een steekproefcontrolerapport opgemaakt welke door deze wordt ondertekend, alsmede door de persoon die de installatie heeft verricht.
5. De eigenaar of houder van een voertuig, waarvoor een steekproef wordt vereist:
a. moet voorafgaande aan de steekproef deel I A dan wel deel I van het kentekenbewijs, behorende bij het desbetreffende voertuig, aan de daartoe aangewezen functionaris van de RDW, overleggen,
b. mag in de in het tweede lid, bedoelde periode van 90 minuten geen wijzigingen brengen of laten brengen in de staat van het voertuig.