BWBR0007081
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 16
Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers
1. Er mag slechts tot installatie worden overgegaan indien:
a. de omtrek van de banden van de aangedreven wielen van het betrokken motorrijtuig niet meer dan 2,5% afwijkt van de bandenomtrek, vermeld op het in artikel 37, eerste lid, van de Regeling controleapparaten 2005, bedoelde installatieplaatje;
b. blijkt dat de verzegeling als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370) van het controleapparaat aanwezig en niet verbroken is.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het snelheidssignaal ten behoeve van de snelheidsbegrenzer afkomstig is van het controleapparaat.
a. de omtrek van de banden van de aangedreven wielen van het betrokken motorrijtuig niet meer dan 2,5% afwijkt van de bandenomtrek, vermeld op het in artikel 37, eerste lid, van de Regeling controleapparaten 2005, bedoelde installatieplaatje;
b. blijkt dat de verzegeling als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370) van het controleapparaat aanwezig en niet verbroken is.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het snelheidssignaal ten behoeve van de snelheidsbegrenzer afkomstig is van het controleapparaat.