BWBR0006933
Geldig vanaf 2007-04-01
Artikel 53c
Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
1. Bij ministeriële regeling wordt omtrent de audit in ieder geval bepaald:
a. de wijze van uitvoering van het inhoudelijke deel van de audit, betreffende de in de basisadministratie opgenomen persoonsgegevens;
b. de wijze van uitvoering van het procesdeel van de audit, betreffende de procedures voor het bewaren en het herstellen van gegevens en de beveiliging van de basisadministratie;
c. de wijze van uitvoering van het privacydeel van de audit, betreffende de wijze waarop de gemeente aan de privacybescherming van de ingeschrevenen in de basisadministratie vorm geeft;
d. de beoordelingscriteria en de maximaal toegestane afwijkingspercentages;
e. in welke gevallen, op welke onderdelen en op welke wijze een heraudit moet worden uitgevoerd;
f. de wijze van rapporteren aan het college van burgemeester en wethouders.
2. De auditresultaten worden opgenomen in een rapportage waarvan de bij ministeriële regeling bepaalde onderdelen door het college van burgemeester en wethouders in afschrift aan Onze Minister worden gezonden. De vergoeding, bedoeld in artikel 120a, vierde lid, van de wet, vindt niet plaats dan nadat het afschrift door Onze Minister is ontvangen.
a. de wijze van uitvoering van het inhoudelijke deel van de audit, betreffende de in de basisadministratie opgenomen persoonsgegevens;
b. de wijze van uitvoering van het procesdeel van de audit, betreffende de procedures voor het bewaren en het herstellen van gegevens en de beveiliging van de basisadministratie;
c. de wijze van uitvoering van het privacydeel van de audit, betreffende de wijze waarop de gemeente aan de privacybescherming van de ingeschrevenen in de basisadministratie vorm geeft;
d. de beoordelingscriteria en de maximaal toegestane afwijkingspercentages;
e. in welke gevallen, op welke onderdelen en op welke wijze een heraudit moet worden uitgevoerd;
f. de wijze van rapporteren aan het college van burgemeester en wethouders.
2. De auditresultaten worden opgenomen in een rapportage waarvan de bij ministeriële regeling bepaalde onderdelen door het college van burgemeester en wethouders in afschrift aan Onze Minister worden gezonden. De vergoeding, bedoeld in artikel 120a, vierde lid, van de wet, vindt niet plaats dan nadat het afschrift door Onze Minister is ontvangen.