BWBR0006723
Geldig vanaf 1994-10-01
Artikel 67
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
1. Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 65, eerste lid, en 66, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.
2. Instellingen worden slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisadministratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.
3. Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:
a. instellingen voor gezondheidszorg;
b. instellingen op het gebied van de kinderbescherming;
c. penitentiaire instellingen.
4. Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen indien het betreft een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020031/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning</a>.
5. Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.
2. Instellingen worden slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisadministratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.
3. Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:
a. instellingen voor gezondheidszorg;
b. instellingen op het gebied van de kinderbescherming;
c. penitentiaire instellingen.
4. Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen indien het betreft een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020031/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning</a>.
5. Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.