BWBR0006595
Geldig vanaf 21-04-1994
Artikel 8
Regeling aanwijzing gebieden, terreinen en planten aardappelmoeheid
Van het verbod, gesteld in artikel 6, eerste lid, van het besluit wordt voor de teelt van de in artikel 6 genoemde planten, vrijstelling verleend, indien:
a. deze teelt reeds was aangevangen voor de dag waarop de aanwijzing van het gebied of het terrein van kracht wordt, met inachtneming van de voorliggende voorschriften: 1. voor het rooien van deze planten dient ten minste 48 uren van te voren schriftelijk toestemming te worden gevraagd aan het districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst binnen wiens ressort de planten worden geteeld;
2. het rooien van deze planten geschiedt na toestemming als bedoeld in onderdeel 1 en met inachtneming van de daaromtrent door de Minister gegeven aanwijzingen, of
1. voor het rooien van deze planten dient ten minste 48 uren van te voren schriftelijk toestemming te worden gevraagd aan het districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst binnen wiens ressort de planten worden geteeld;
2. het rooien van deze planten geschiedt na toestemming als bedoeld in onderdeel 1 en met inachtneming van de daaromtrent door de Minister gegeven aanwijzingen, of
b. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 4.
a. deze teelt reeds was aangevangen voor de dag waarop de aanwijzing van het gebied of het terrein van kracht wordt, met inachtneming van de voorliggende voorschriften: 1. voor het rooien van deze planten dient ten minste 48 uren van te voren schriftelijk toestemming te worden gevraagd aan het districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst binnen wiens ressort de planten worden geteeld;
2. het rooien van deze planten geschiedt na toestemming als bedoeld in onderdeel 1 en met inachtneming van de daaromtrent door de Minister gegeven aanwijzingen, of
1. voor het rooien van deze planten dient ten minste 48 uren van te voren schriftelijk toestemming te worden gevraagd aan het districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst binnen wiens ressort de planten worden geteeld;
2. het rooien van deze planten geschiedt na toestemming als bedoeld in onderdeel 1 en met inachtneming van de daaromtrent door de Minister gegeven aanwijzingen, of
b. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 4.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0006595
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl