BWBR0006585
Geldig vanaf 2010-01-06
Artikel 2
Spaarloonregeling rijkspersoneel
1. Het bevoegd gezag houdt,op verzoek van het personeelslid dat sedert de eerste dag van het kalenderjaar bij hem of een andere tot de SGI behorende inhoudingsplichtige in dienst is en ten aanzien van wie sedert die dag door het bevoegd gezag of een andere tot de SGI behorende inhoudingsplichtige bij de inhouding van loonbelasting de algemene heffingskorting is toegepast op diens salaris een bedrag in en maakt dat over naar een door het personeelslid opgegeven spaarloonrekening dan wel een rekening van de financiële instelling waarbij het personeelslid een overeenkomst van levensverzekering heeft afgesloten, waarbij een lijfrente of een kapitaalsuitkering is verzekerd.
2. Op verzoek van het personeelslid kan het bevoegd gezag een bedrag inhouden op diens salaris en dat overmaken op een door het personeelslid opgegeven rekening, indien het personeelslid rechtstreekse betalingen van premies als bedoeld in artikel 19b, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen, doet. Deze betalingen mogen voor de toepassing van dat artikel worden gelijkgesteld met ten laste van de spaarloonrekening voldane premies.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen zijn niet hoger dan het ingevolge artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964vastgestelde maximumspaarbedrag.
2. Op verzoek van het personeelslid kan het bevoegd gezag een bedrag inhouden op diens salaris en dat overmaken op een door het personeelslid opgegeven rekening, indien het personeelslid rechtstreekse betalingen van premies als bedoeld in artikel 19b, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen, doet. Deze betalingen mogen voor de toepassing van dat artikel worden gelijkgesteld met ten laste van de spaarloonrekening voldane premies.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen zijn niet hoger dan het ingevolge artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964vastgestelde maximumspaarbedrag.