BWBR0006560
Geldig vanaf 1994-04-01
Artikel 4
Besluit beheer regionale politiekorpsen
1. Het regionale politiekorps draagt ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten zorg voor het inrichten van de recherchefunctie.
2. Een lid van de leiding van het regionale politiekorps, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Politiewet 1993, is in het bijzonder verantwoordelijk voor de recherchefunctie van het regionale politiekorps.
3. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met andere politiekorpsen, ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie over voorzieningen op het gebied van:
a. tactische recherche,
b. technische recherche,
c. financiële recherche,
d. digitale recherche, en
e. informatievoorziening.
4. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen voorzieningen op andere gebieden dan die, genoemd in het derde lid, aanwijzen waarover het regionale politiekorps beschikt ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie.
5. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels geven over de taken en de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie.
6. Met inachtneming van de regels, bedoeld in het vijfde lid, kan Onze Minister regels geven over het beheer van de voorzieningen bedoeld in het derde en vierde lid. Indien deze regels voorschriften bevatten die aan de inrichting van de voorzieningen worden gesteld, worden zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.
2. Een lid van de leiding van het regionale politiekorps, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Politiewet 1993, is in het bijzonder verantwoordelijk voor de recherchefunctie van het regionale politiekorps.
3. Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met andere politiekorpsen, ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie over voorzieningen op het gebied van:
a. tactische recherche,
b. technische recherche,
c. financiële recherche,
d. digitale recherche, en
e. informatievoorziening.
4. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen voorzieningen op andere gebieden dan die, genoemd in het derde lid, aanwijzen waarover het regionale politiekorps beschikt ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie.
5. Onze Minister en Onze Minister van Justitie kunnen regels geven over de taken en de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van de uitoefening van de recherchefunctie.
6. Met inachtneming van de regels, bedoeld in het vijfde lid, kan Onze Minister regels geven over het beheer van de voorzieningen bedoeld in het derde en vierde lid. Indien deze regels voorschriften bevatten die aan de inrichting van de voorzieningen worden gesteld, worden zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.