BWBR0006421
Geldig vanaf 2003-05-28
Artikel 8b
Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties
1. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverleningwordt verleend indien de natuurlijke persoon het beroep van advocaat, notaris, of kandidaat-notaris uitoefent in een lidstaat van de Europese Unie en deze de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
2. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverleningwordt verleend indien de natuurlijke persoon een trustkantoor is dan wel optreedt namens een trustkantoor, dat in bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht trustkantorenen deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
3. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverleningwordt verleend indien de natuurlijke persoon een toegelaten persoon is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Achtste richtlijn nr. 84/253/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid, 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PbEG L126) en deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
2. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverleningwordt verleend indien de natuurlijke persoon een trustkantoor is dan wel optreedt namens een trustkantoor, dat in bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht trustkantorenen deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.
3. Vrijstelling van artikel 5, derde en vierde lid, van de Wet identificatie bij dienstverleningwordt verleend indien de natuurlijke persoon een toegelaten persoon is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Achtste richtlijn nr. 84/253/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid, 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PbEG L126) en deze persoon de identiteit van degene voor wie hij optreedt heeft vastgesteld overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening.