BWBR0006319
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 13
Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds
1. Voor de vaststelling van de uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt het recht op uitkering op grond van die wet aangemerkt te zijn ontstaan op het tijdstip, waarop de in artikel 7, eerste lid, onderdelen b of c, bedoelde uitkering of herplaatsingswachtgeld is aangevangen.
2. De resterende uitkeringsduur op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt bepaald door op de, krachtens het eerste lid vast te stellen uitkeringsduur, de periode waarover de in artikel 7, eerste lid, onderdelen b of c, bedoelde uitkering of herplaatsingswachtgeld is ontvangen, in mindering te brengen.
3. In afwijking van het tweede lid eindigt de duur van de uitkering, bedoeld in artikel 42 van de Werkloosheidswet, van de persoon, wiens uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel cof wiens herplaatsingswachtgeld krachtens de Spoorwegpensioenwet is aangevangen voor 1 januari 1987 en die op de ingangsdatum van de uitkering 57,5 jaar of ouder was, op de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.
2. De resterende uitkeringsduur op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt bepaald door op de, krachtens het eerste lid vast te stellen uitkeringsduur, de periode waarover de in artikel 7, eerste lid, onderdelen b of c, bedoelde uitkering of herplaatsingswachtgeld is ontvangen, in mindering te brengen.
3. In afwijking van het tweede lid eindigt de duur van de uitkering, bedoeld in artikel 42 van de Werkloosheidswet, van de persoon, wiens uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel cof wiens herplaatsingswachtgeld krachtens de Spoorwegpensioenwet is aangevangen voor 1 januari 1987 en die op de ingangsdatum van de uitkering 57,5 jaar of ouder was, op de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.