BWBR0006300
Geldig vanaf 1994-01-18
Artikel 3
Invoeringswet Politiewet 1993
1. De in artikel 1, eerste lid, bedoelde vermogensbestanddelen, de uit artikel 1, tweede, vierde en vijfde lid, voortvloeiende vorderingen, de bij het desbetreffende korps van gemeentepolitie in gebruik zijnde vermogensbestanddelen die niet aan dat korps moeten worden toegerekend, de in artikel 2, eerste lid, bedoelde vermogensbestanddelen, alsmede de vermogensbestanddelen die ingevolge artikel 2, tweede lid, zijn uitgezonderd van overgang, staan vermeld op een lijst, die is opgemaakt
a. voor het onderdeel dat betrekking heeft op het korps van gemeentepolitie van de gemeente van de burgemeester bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel: door die gemeente en, namens de in te stellen politieregio, de in artikel 3 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel bedoelde plaatsvervanger van die burgemeester;
b. voor het onderdeel dat betrekking heeft op een ander korps van gemeentepolitie: door de desbetreffende gemeente en, namens de in te stellen politieregio, de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel, en
c. voor het onderdeel dat betrekking heeft op een district van het Korps Rijkspolitie: door de Staat en, namens de in te stellen politieregio, de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel.
2. De lijst is zodanig opgesteld dat:
a. registergoederen die ingevolge artikel 1, eerste lid, of artikel 2, eerste lid, overgaan daarop zodanig worden omschreven dat de lijst voldoet aan de vereisten van de Kadasterwet op het punt van inschrijfbaarheid van stukken;
b. de overige vermogensbestanddelen die ingevolge artikel 1, eerste lid, of artikel 2, eerste lid, overgaan, alsmede de bij de politie in gebruik zijnde vermogensbestanddelen die niet overgaan op de politieregio, daarop met voldoende bepaaldheid zijn omschreven;
c. daaruit blijkt hoe de in artikel 1, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, bedoelde rechten en verplichtingen worden gesplitst;
d. de grootte van de vorderingen, bedoeld in artikel 1, tweede, vierde en vijfde lid, aan de hand daarvan voldoende bepaalbaar is;
e. daaruit blijkt of aan artikel 4, eerste lid, toepassing is of moet worden gegeven.
3. Indien de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de lijst, delen zij dit onverwijld mede aan Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken.
4. Indien de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt geen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van een lijst, leggen zij hetgeen hen verdeeld houdt onverwijld ter advisering voor aan een commissie van drie onafhankelijke deskundigen. Elk der betrokkenen benoemt één deskundige, de twee aldus benoemde deskundigen benoemen een derde. De commissie brengt uiterlijk een maand na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip haar advies uit. De betrokkenen dragen elk de helft van de kosten van de advisering.
5. Uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, delen de betrokkenen, bedoeld in het vierde lid, Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken mede of zij, mede gelet op het advies, bedoeld in het vierde lid, alsnog overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de lijst en, indien dit niet het geval is, op welke punten tussen hen nog verschil van mening bestaat. Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken stellen daarop, zo nodig gehoord de betrokkenen, uiterlijk twee maanden na dit tijdstip te zamen de desbetreffende lijst vast. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.
6. De burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel, en diens plaatsvervanger voeren over hun optreden namens de in te stellen politieregio zo veel mogelijk overleg met het regionaal overlegorgaan.
a. voor het onderdeel dat betrekking heeft op het korps van gemeentepolitie van de gemeente van de burgemeester bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel: door die gemeente en, namens de in te stellen politieregio, de in artikel 3 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel bedoelde plaatsvervanger van die burgemeester;
b. voor het onderdeel dat betrekking heeft op een ander korps van gemeentepolitie: door de desbetreffende gemeente en, namens de in te stellen politieregio, de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel, en
c. voor het onderdeel dat betrekking heeft op een district van het Korps Rijkspolitie: door de Staat en, namens de in te stellen politieregio, de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel.
2. De lijst is zodanig opgesteld dat:
a. registergoederen die ingevolge artikel 1, eerste lid, of artikel 2, eerste lid, overgaan daarop zodanig worden omschreven dat de lijst voldoet aan de vereisten van de Kadasterwet op het punt van inschrijfbaarheid van stukken;
b. de overige vermogensbestanddelen die ingevolge artikel 1, eerste lid, of artikel 2, eerste lid, overgaan, alsmede de bij de politie in gebruik zijnde vermogensbestanddelen die niet overgaan op de politieregio, daarop met voldoende bepaaldheid zijn omschreven;
c. daaruit blijkt hoe de in artikel 1, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, bedoelde rechten en verplichtingen worden gesplitst;
d. de grootte van de vorderingen, bedoeld in artikel 1, tweede, vierde en vijfde lid, aan de hand daarvan voldoende bepaalbaar is;
e. daaruit blijkt of aan artikel 4, eerste lid, toepassing is of moet worden gegeven.
3. Indien de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de lijst, delen zij dit onverwijld mede aan Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken.
4. Indien de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt geen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van een lijst, leggen zij hetgeen hen verdeeld houdt onverwijld ter advisering voor aan een commissie van drie onafhankelijke deskundigen. Elk der betrokkenen benoemt één deskundige, de twee aldus benoemde deskundigen benoemen een derde. De commissie brengt uiterlijk een maand na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip haar advies uit. De betrokkenen dragen elk de helft van de kosten van de advisering.
5. Uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, delen de betrokkenen, bedoeld in het vierde lid, Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken mede of zij, mede gelet op het advies, bedoeld in het vierde lid, alsnog overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de lijst en, indien dit niet het geval is, op welke punten tussen hen nog verschil van mening bestaat. Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken stellen daarop, zo nodig gehoord de betrokkenen, uiterlijk twee maanden na dit tijdstip te zamen de desbetreffende lijst vast. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.
6. De burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel, en diens plaatsvervanger voeren over hun optreden namens de in te stellen politieregio zo veel mogelijk overleg met het regionaal overlegorgaan.