Artikel 1
a. de rechten en verplichtingen van de gemeente uit een overeenkomst met een derde, behoudens voor zover de rechtsverhouding of de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen ondeelbaar zijn, bij de overgang worden gesplitst voor zover dat, in het bijzonder in verband met de samenhang tussen die rechten en verplichtingen en andere vermogensbestanddelen die al of niet op een politieregio overgaan, noodzakelijk is; en
b. de vermogensbestanddelen in ieder geval overgaan of niet overgaan overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bepaalde.
2. Indien met betrekking tot vermogensbestanddelen die ingevolge het eerste lid overgaan boekwaarden zijn opgenomen in de gemeenterekening, zoals deze over het jaar voorafgaande aan dat waarin de overgang plaatsvindt, is vastgesteld of zal worden vastgesteld, verkrijgt de gemeente op het tijdstip van de overgang van de desbetreffende vermogensbestanddelen een vordering op de politieregio ter grootte van het bedrag van deze boekwaarden, met dien verstande dat een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bepaalde.
3. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover:
a. de boekwaarden na 1 januari 1989 in de gemeenterekening zijn opgenomen; of
b. na 1 januari 1989 is afgeweken van de bestendige gedragslijn met betrekking tot de vaststelling van de boekwaarden in de gemeenterekening;
een en ander behoudens voor zover dit gerechtvaardigd was en niet in verband stond met de reorganisatie van de politie, met dien verstande dat een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bepaalde.
4. Voor zover reserves of voorzieningen, opgenomen in de gemeenterekening, zoals deze is vastgesteld of zal worden vastgesteld over het jaar voorafgaande aan dat waarin de overgang van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt, zijn toe te rekenen aan het korps van gemeentepolitie, verkrijgt de politieregio op het tijdstip van de overgang een vordering op de gemeente ter grootte van het bedrag daarvan, met dien verstande dat een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bepaalde.
5. Een vordering als bedoeld in het vierde lid ontstaat eveneens, voor zover:
a. reserves of voorzieningen als bedoeld in het vierde lid na 1 januari 1989 van de gemeenterekening zijn verwijderd;
b. reserves of voorzieningen als bedoeld in het vierde lid na 1 januari 1989 zijn afgenomen doordat is afgeweken van de bestendige gedragslijn met betrekking tot de vaststelling daarvan; of
c. reserves of voorzieningen als bedoeld in het vierde lid na 1 januari 1989 niet zijn opgenomen in de gemeenterekening, hoewel de gemeente daartoe was gehouden op grond van een wettelijk voorschrift;
een en ander behoudens voor zover dit gerechtvaardigd was en niet in verband stond met de reorganisatie van de politie, met dien verstande dat een vordering in ieder geval wordt verkregen of niet wordt verkregen overeenkomstig het daaromtrent in de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bepaalde.
6. Een politieregio waarop ingevolge het eerste lid een onroerende zaak of een beperkt gebruiksrecht daarop van een gemeente is overgegaan, is verplicht die zaak of dat recht bij een voorgenomen vervreemding eerst aan de desbetreffende gemeente te koop aan te bieden tegen een redelijke prijs.
7. Voor het bepalen van de redelijke prijs, bedoeld in het zesde lid, geldt de boekwaarde, bedoeld in het tweede lid, als uitgangspunt indien een voorgenomen vervreemding plaatsvindt voordat vijf jaren zijn verstreken na het in artikel 1, eerste lid, bedoelde tijdstip, en de gemeente in de tien jaren die zijn gelegen voor dat tijdstip ten behoeve van die zaak geen middelen als bedoeld in artikel 9a van de Politiewet( Stb.1989, 223) heeft aangewend.