BWBR0006095
Geldig vanaf 1993-08-25
Artikel 6
Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen
1. Persoonlijke beschermingsmiddelen dienen te zijn onderworpen aan een certificeringsprocedure overeenkomstig het in dit artikel bepaalde, en te zijn voorzien van de in bijlage IV van de richtlijn bedoelde CE-markering. Indien een certificeringsprocedure de afgifte van een verklaring van EG-typeonderzoek voorschrijft, dient het persoonlijke beschermingsmiddel of het model van de persoonlijke beschermingsmiddelen waarop dat voorschrift betrekking heeft, te zijn gekeurd.
2. Het in het eerste lid bedoelde merkteken mag uitsluitend worden aangebracht indien:
a. voor het persoonlijke beschermingsmiddel 1°. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant of diens gemachtigde dan wel, in het geval zij geen van beide in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten zijn gevestigd, degene die de persoonlijke beschermingsmiddelen in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten in de handel brengt, en
2°. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn bij één van de personen, bedoeld onder 1°, voorhanden is, en
1°. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant of diens gemachtigde dan wel, in het geval zij geen van beide in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten zijn gevestigd, degene die de persoonlijke beschermingsmiddelen in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten in de handel brengt, en
2°. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn bij één van de personen, bedoeld onder 1°, voorhanden is, en
b. behoudens voor beschermingsmiddelen bedoeld in artikel 8, derde lid van de richtlijn, een EG-typeonderzoekverklaring als bedoeld in artikel 10 van de Richtlijn van een keuringsinstantie is verkregen, en
c. de vervaardiging van het persoonlijk beschermingsmiddel is geschied met inachtneming van één van de produktie-controleprocedures, bedoeld in artikel 11 van de richtlijn, wanneer het een persoonlijk beschermingsmiddel betreft dat wordt genoemd in artikel 8, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdelen van persoonlijke beschermingsmiddelen die bestemd zijn om te worden ingebouwd in persoonlijke beschermingsmiddelen of met andere onderdelen te worden samengebouwd tot één persoonlijk beschermingsmiddel, mits zij geen wezenlijk onderdeel van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn die voor de goede werking ervan onmisbaar zijn, en op de samenstellingen dit besluit van toepassing is.
4. Persoonlijke beschermingsmiddelen die met inachtneming van de procedures genoemd in dit artikel zijn voorzien van de CE-markering en waarvan de EG-verklaring van overeenstemming alsmede, indien van toepassing, de verklaring van EG-typeonderzoek voorhanden is bij één van de in het tweede lid genoemde personen, worden vermoed te voldoen aan het in artikel 4, tweede volzin, bepaalde.
5. Indien bij de vervaardiging geharmoniseerde normen niet of slechts gedeeltelijk zijn toegepast, of wanneer die normen ontbreken, dient in de verklaring van de keuringsinstantie de overeenstemming met de fundamentele eisen met inachtneming van de procedure van artikel 10, vierde lid, onder a), tweede gedachtenstreepje en b), tweede gedachtenstreepje, van de richtlijn, te worden vermeld.
6. a. Indien de fabrikant, diens in Nederland gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beiden in Nederland zijn gevestigd, de importeur die het persoonlijke beschermingsmiddel in Nederland op de markt brengt, voornemens is aan het model van een persoonlijk beschermingsmiddel of aan te vervaardigen en in de handel te brengen persoonlijke beschermingsmiddelen waarvoor een verklaring van typeonderzoek is afgegeven, wijzigingen aan te brengen, stelt hij de keuringsinstantie die de verklaring van EG-typeonderzoek heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis.
b. De in onderdeel a bedoelde keuringsinstantie beoordeelt de wijzigingen en deelt de genoemde persoon mede of de typeonderzoekverklaring voor het aldus gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel geldig is.
c. Indien de in onderdeel a bedoelde keuringsinstantie van oordeel is dat de verklaring van EG-typeonderzoek voor het gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel niet geldig is, moet dit persoonlijke beschermingsmiddel aan een EG-typeonderzoek worden onderworpen.
7. Een gedraging in strijd met het bepaalde in het eerste en het tweede lid is verboden.
2. Het in het eerste lid bedoelde merkteken mag uitsluitend worden aangebracht indien:
a. voor het persoonlijke beschermingsmiddel 1°. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant of diens gemachtigde dan wel, in het geval zij geen van beide in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten zijn gevestigd, degene die de persoonlijke beschermingsmiddelen in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten in de handel brengt, en
2°. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn bij één van de personen, bedoeld onder 1°, voorhanden is, en
1°. een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage VI van de richtlijn voorhanden is bij de in de Gemeenschap of in een andere Staat, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant of diens gemachtigde dan wel, in het geval zij geen van beide in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten zijn gevestigd, degene die de persoonlijke beschermingsmiddelen in de Gemeenschap of in één van de andere hiervoor bedoelde Staten in de handel brengt, en
2°. een technisch dossier als bedoeld in bijlage III van de Richtlijn bij één van de personen, bedoeld onder 1°, voorhanden is, en
b. behoudens voor beschermingsmiddelen bedoeld in artikel 8, derde lid van de richtlijn, een EG-typeonderzoekverklaring als bedoeld in artikel 10 van de Richtlijn van een keuringsinstantie is verkregen, en
c. de vervaardiging van het persoonlijk beschermingsmiddel is geschied met inachtneming van één van de produktie-controleprocedures, bedoeld in artikel 11 van de richtlijn, wanneer het een persoonlijk beschermingsmiddel betreft dat wordt genoemd in artikel 8, vierde lid, onderdeel a, van de richtlijn.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op onderdelen van persoonlijke beschermingsmiddelen die bestemd zijn om te worden ingebouwd in persoonlijke beschermingsmiddelen of met andere onderdelen te worden samengebouwd tot één persoonlijk beschermingsmiddel, mits zij geen wezenlijk onderdeel van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn die voor de goede werking ervan onmisbaar zijn, en op de samenstellingen dit besluit van toepassing is.
4. Persoonlijke beschermingsmiddelen die met inachtneming van de procedures genoemd in dit artikel zijn voorzien van de CE-markering en waarvan de EG-verklaring van overeenstemming alsmede, indien van toepassing, de verklaring van EG-typeonderzoek voorhanden is bij één van de in het tweede lid genoemde personen, worden vermoed te voldoen aan het in artikel 4, tweede volzin, bepaalde.
5. Indien bij de vervaardiging geharmoniseerde normen niet of slechts gedeeltelijk zijn toegepast, of wanneer die normen ontbreken, dient in de verklaring van de keuringsinstantie de overeenstemming met de fundamentele eisen met inachtneming van de procedure van artikel 10, vierde lid, onder a), tweede gedachtenstreepje en b), tweede gedachtenstreepje, van de richtlijn, te worden vermeld.
6. a. Indien de fabrikant, diens in Nederland gevestigde gevolmachtigde, dan wel, indien geen van beiden in Nederland zijn gevestigd, de importeur die het persoonlijke beschermingsmiddel in Nederland op de markt brengt, voornemens is aan het model van een persoonlijk beschermingsmiddel of aan te vervaardigen en in de handel te brengen persoonlijke beschermingsmiddelen waarvoor een verklaring van typeonderzoek is afgegeven, wijzigingen aan te brengen, stelt hij de keuringsinstantie die de verklaring van EG-typeonderzoek heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis.
b. De in onderdeel a bedoelde keuringsinstantie beoordeelt de wijzigingen en deelt de genoemde persoon mede of de typeonderzoekverklaring voor het aldus gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel geldig is.
c. Indien de in onderdeel a bedoelde keuringsinstantie van oordeel is dat de verklaring van EG-typeonderzoek voor het gewijzigde persoonlijke beschermingsmiddel niet geldig is, moet dit persoonlijke beschermingsmiddel aan een EG-typeonderzoek worden onderworpen.
7. Een gedraging in strijd met het bepaalde in het eerste en het tweede lid is verboden.