BWBR0005526
Geldig vanaf 1992-06-18
Artikel 3
Instelling verkenningscommissie moderne letteren
1. De commissie heeft tot taak:
a. een beschrijving van en een oordeel te geven over de produktiviteit, de sterkte en zwakte van het eerste, tweede, en derde geldstroomonderzoek in de Romaanse talen en hun letterkunde en de Germaanse talen en hun letterkunde, met uitzondering van de Nederlandse en Friese taal- en letterkunde;
b. een advies te geven over de plaats en de functie van deze disciplines binnen het Nederlandse wetenschapsbestel en binnen de internationale context, rekening houdend met het wegvallen van de Europese binnengrenzen in 1992;
c. te adviseren over de vraag, welke internationale taakverdeling er dient te zijn op het terrein van de onder a. genoemde talen, voor zover het om talen van landen van de Europese Gemeenschap gaat;
d. om tegen de achtergrond van haar bevindingen bij a, b en c de wenselijkheid na te gaan van concentratiepunten voor hoogwaardig onderzoek en de mogelijkheden van internationale samenwerking en taakverdeling. Tevens is hieraan gekoppeld de vraag naar de vereiste minimum-capaciteit van de Nederlandse voorzieningen en de vereiste capaciteit benodigd voor de bedoelde samenwerking met andere EG-landen;
e. een advies te geven over de gevolgen van de voortschrijdende internationalisering voor het aanbieden en het inrichten van het onderwijs. Hierbij dient de vraag te worden betrokken in welke mate gebruik kan worden gemaakt van het studeren van die talen in de desbetreffende EG-landen;
f. aanbevelingen te doen over de informatisering in deze disciplines.
2. Het advies dient zich te lenen voor bespreking en uitwerking tussen en door de besturen van de betrokken instellingen. Voorts dient het advies de overheid zicht te geven op wenselijk geachte veranderingsprocessen.
3. De commissie wordt verzocht een conferentie van deskundigen te beleggen over de hiervoor onder b t/m e vermelde onderwerpen.
a. een beschrijving van en een oordeel te geven over de produktiviteit, de sterkte en zwakte van het eerste, tweede, en derde geldstroomonderzoek in de Romaanse talen en hun letterkunde en de Germaanse talen en hun letterkunde, met uitzondering van de Nederlandse en Friese taal- en letterkunde;
b. een advies te geven over de plaats en de functie van deze disciplines binnen het Nederlandse wetenschapsbestel en binnen de internationale context, rekening houdend met het wegvallen van de Europese binnengrenzen in 1992;
c. te adviseren over de vraag, welke internationale taakverdeling er dient te zijn op het terrein van de onder a. genoemde talen, voor zover het om talen van landen van de Europese Gemeenschap gaat;
d. om tegen de achtergrond van haar bevindingen bij a, b en c de wenselijkheid na te gaan van concentratiepunten voor hoogwaardig onderzoek en de mogelijkheden van internationale samenwerking en taakverdeling. Tevens is hieraan gekoppeld de vraag naar de vereiste minimum-capaciteit van de Nederlandse voorzieningen en de vereiste capaciteit benodigd voor de bedoelde samenwerking met andere EG-landen;
e. een advies te geven over de gevolgen van de voortschrijdende internationalisering voor het aanbieden en het inrichten van het onderwijs. Hierbij dient de vraag te worden betrokken in welke mate gebruik kan worden gemaakt van het studeren van die talen in de desbetreffende EG-landen;
f. aanbevelingen te doen over de informatisering in deze disciplines.
2. Het advies dient zich te lenen voor bespreking en uitwerking tussen en door de besturen van de betrokken instellingen. Voorts dient het advies de overheid zicht te geven op wenselijk geachte veranderingsprocessen.
3. De commissie wordt verzocht een conferentie van deskundigen te beleggen over de hiervoor onder b t/m e vermelde onderwerpen.