BWBR0005441
Geldig vanaf 1998-08-01
Artikel 19
Formatiebesluit WPO
1. Het bevoegd gezag van een school kan telkens voor de periode van een schooljaar beslissen minder formatierekeneenheden te besteden dan voor die school mogelijk zou zijn op grond van het beschikbare formatiebudget, tot ten hoogste:
a. 10% van het voor de school beschikbare formatiebudget, daaronder niet begrepen het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC en daaronder wat betreft een basisschool niet begrepen de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en personeelsinnovatie,
b. wat betreft een basisschool de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en personeelsinnovatie,
c. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor het betalen van vergoedingen aan een school voor voortgezet onderwijs voor de inzet van personeel,
d. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, en
e. het aantal formatierekeneenheden per personeelslid voor meer werken als bedoeld in artikel 107, tweede lid, in samenhang met artikel 295a van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC dat wordt berekend door het totaal aantal uren dat meer is gewerkt, te delen door 1659 en de uitkomst van die deling te vermenigvuldigen met het aantal formatierekeneenheden dat voor de betreffende functie bij een normbetrekking wordt verbruikt, bedoeld in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
In dat geval keert Onze Minister aan het bevoegd gezag van de school een bedrag uit dat overeenkomt met de geldswaarde van de gedurende het schooljaar niet verbruikte formatierekeneenheden.
2. Het verzilveren van formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, mag niet leiden tot kosten van ontslaguitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.
3. Het bevoegd gezag neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar en deelt voor die datum aan Onze Minister mee hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd, met dien verstande dat deze nadere beslissingen niet kunnen inhouden dat minder formatierekeneenheden worden verzilverd dan voor 15 mei of voor 1 oktober aan Onze Minister is meegedeeld.
4. De geldswaarde van de verzilverde formatierekeneenheden voor speciale doeleinden wordt besteed aan de speciale doeleinden waarvoor de formatierekeneenheden waren bestemd.
5. Het bestuur van een centrale dienst kan telkens voor de periode van een schooljaar overeenkomstig het zorgplan tot ten hoogste 10% minder formatierekeneenheden besteden dan voor die dienst mogelijk zou zijn op grond van de door de dienst krachtens <a href="/wet/BWBR0003420/artikel/132" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 132 van de wet</a>ontvangen formatierekeneenheden. De laatste volzin van het eerste lid en het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling en de nadere mededeling in overeenstemming dienen te zijn met het zorgplan.
6. Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, zijn het eerste tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing op de aan het bevoegd gezag toegekende zorgformatie.
a. 10% van het voor de school beschikbare formatiebudget, daaronder niet begrepen het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC en daaronder wat betreft een basisschool niet begrepen de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en personeelsinnovatie,
b. wat betreft een basisschool de formatie voor personeelsbeleid, kwaliteitsverbetering en personeelsinnovatie,
c. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor het betalen van vergoedingen aan een school voor voortgezet onderwijs voor de inzet van personeel,
d. het aantal formatierekeneenheden dat nodig is voor de bekostiging van de vervanging van het personeel dat gebruik maakt van het verlof op grond van artikel 32, zevende lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC, en
e. het aantal formatierekeneenheden per personeelslid voor meer werken als bedoeld in artikel 107, tweede lid, in samenhang met artikel 295a van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC dat wordt berekend door het totaal aantal uren dat meer is gewerkt, te delen door 1659 en de uitkomst van die deling te vermenigvuldigen met het aantal formatierekeneenheden dat voor de betreffende functie bij een normbetrekking wordt verbruikt, bedoeld in artikel 112 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
In dat geval keert Onze Minister aan het bevoegd gezag van de school een bedrag uit dat overeenkomt met de geldswaarde van de gedurende het schooljaar niet verbruikte formatierekeneenheden.
2. Het verzilveren van formatierekeneenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>c</em>, mag niet leiden tot kosten van ontslaguitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.
3. Het bevoegd gezag neemt een beslissing als bedoeld in het eerste lid voor 15 mei voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar en deelt voor die datum aan Onze Minister mee hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd. Het bevoegd gezag kan voor 1 oktober en voor 1 februari van een schooljaar een nadere beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen en voor die data aan Onze Minister meedelen hoeveel formatierekeneenheden worden verzilverd, met dien verstande dat deze nadere beslissingen niet kunnen inhouden dat minder formatierekeneenheden worden verzilverd dan voor 15 mei of voor 1 oktober aan Onze Minister is meegedeeld.
4. De geldswaarde van de verzilverde formatierekeneenheden voor speciale doeleinden wordt besteed aan de speciale doeleinden waarvoor de formatierekeneenheden waren bestemd.
5. Het bestuur van een centrale dienst kan telkens voor de periode van een schooljaar overeenkomstig het zorgplan tot ten hoogste 10% minder formatierekeneenheden besteden dan voor die dienst mogelijk zou zijn op grond van de door de dienst krachtens <a href="/wet/BWBR0003420/artikel/132" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 132 van de wet</a>ontvangen formatierekeneenheden. De laatste volzin van het eerste lid en het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de mededeling en de nadere mededeling in overeenstemming dienen te zijn met het zorgplan.
6. Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, zijn het eerste tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing op de aan het bevoegd gezag toegekende zorgformatie.