BWBR0005424
Geldig vanaf 1992-02-24
Artikel 5
Algemeen organisatiebesluit Defensie 1992
De defensiestaf staat onder leiding van de chef defensiestaf die is belast met de volgende taken;
a. het met inachtneming van de aanwijzingen en de richtlijnen van de bewindslieden en de secretaris-generaal geven van ambtelijke leiding aan de defensiestaf;
b. het ontwikkelen van en het adviseren over de hoofdlijnen van het operationeel beleid;
c. het afstemmen van het operationeel beleid op het algemene defensiebeleid en de overdracht hiervan aan de bevelhebbers, waar nodig door aanwijzingen en richtlijnen die door tussenkomst van de secretaris-generaal worden verstrekt;
d. de zorg voor de beleidsadvisering over en de coördinatie van bijzondere operationele aangelegenheden zoals vredesoperaties of andere operaties die onder direct toezicht van de minister dienen plaats te vinden; het leiden van deze operaties, indien de aard van deze operaties daartoe aanleiding geeft en niet dan nadat de minister daartoe uitdrukkelijk heeft besloten;
e. het adviseren over internationale militaire samenwerking;
f. het sturen en bewaken van de defensieplanning, onder meer door het leiden van het integraal defensie planningsproces;
g. het ten behoeve van de beleidsvoorbereiding, de beleidsevaluatie en controle stellen van eisen aan de informatie-uitwisseling tussen de centrale organisatie en de krijgsmachtdelen op het terrein van het operationeel beleid en van de defensieplanning;
h. het zelfstandig verstrekken van aanwijzingen en richtlijnen aan functionele directeuren op het gebied van informatievoorziening en de wijze van afstemmen van de beleidsvoorbereiding;
i. het op aanwijzing van de bewindslieden leiden van politiek gevoelige projecten;
j. het besturen van en houden van toezicht op de onder de chef defensiestaf ressorterende bijzondere organisatie-eenheden;
k. het interne beheer van de defensiestaf.
a. het met inachtneming van de aanwijzingen en de richtlijnen van de bewindslieden en de secretaris-generaal geven van ambtelijke leiding aan de defensiestaf;
b. het ontwikkelen van en het adviseren over de hoofdlijnen van het operationeel beleid;
c. het afstemmen van het operationeel beleid op het algemene defensiebeleid en de overdracht hiervan aan de bevelhebbers, waar nodig door aanwijzingen en richtlijnen die door tussenkomst van de secretaris-generaal worden verstrekt;
d. de zorg voor de beleidsadvisering over en de coördinatie van bijzondere operationele aangelegenheden zoals vredesoperaties of andere operaties die onder direct toezicht van de minister dienen plaats te vinden; het leiden van deze operaties, indien de aard van deze operaties daartoe aanleiding geeft en niet dan nadat de minister daartoe uitdrukkelijk heeft besloten;
e. het adviseren over internationale militaire samenwerking;
f. het sturen en bewaken van de defensieplanning, onder meer door het leiden van het integraal defensie planningsproces;
g. het ten behoeve van de beleidsvoorbereiding, de beleidsevaluatie en controle stellen van eisen aan de informatie-uitwisseling tussen de centrale organisatie en de krijgsmachtdelen op het terrein van het operationeel beleid en van de defensieplanning;
h. het zelfstandig verstrekken van aanwijzingen en richtlijnen aan functionele directeuren op het gebied van informatievoorziening en de wijze van afstemmen van de beleidsvoorbereiding;
i. het op aanwijzing van de bewindslieden leiden van politiek gevoelige projecten;
j. het besturen van en houden van toezicht op de onder de chef defensiestaf ressorterende bijzondere organisatie-eenheden;
k. het interne beheer van de defensiestaf.