BWBR0005333
Geldig vanaf 1992-01-09
Artikel 13
Besluit Taak FEZ
1. De directeur FEZ doet, na overleg met het desbetreffende hoofd van dienst, de voorstellen tot aanwijzing en tot intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerders, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder i, van het Besluit kasbeheer 1998.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing van de personen die zijn belast met het beheer van de centrale kassen van het Rijk, dan wel met de ontvangst, de afgifte en de bewaring van de aan het Rijk toebehorende en toevertrouwde effecten.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de voorstellen tot aanwijzing en tot intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerders, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder i, van het Besluit kasbeheer 1998, bij de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning gedaan door de betrokken hoofden van dienst aan de voorzitters van beide Kamers der Staten-Generaal, aan de vice-president van de Raad van State, aan de president van de Algemene Rekenkamer, aan de Nationale ombudsman, aan de Kanselier van de Kanselarij der Nederlandse Orden en aan de directeur van het Kabinet van de Koning, ieder met betrekking tot het betrokken onderdeel van de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de aanwijzing en de intrekking van de aanwijzing van de personen die zijn belast met het beheer van de centrale kassen van het Rijk, dan wel met de ontvangst, de afgifte en de bewaring van de aan het Rijk toebehorende en toevertrouwde effecten.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de voorstellen tot aanwijzing en tot intrekking van een zodanige aanwijzing van de kasbeheerders, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder i, van het Besluit kasbeheer 1998, bij de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning gedaan door de betrokken hoofden van dienst aan de voorzitters van beide Kamers der Staten-Generaal, aan de vice-president van de Raad van State, aan de president van de Algemene Rekenkamer, aan de Nationale ombudsman, aan de Kanselier van de Kanselarij der Nederlandse Orden en aan de directeur van het Kabinet van de Koning, ieder met betrekking tot het betrokken onderdeel van de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning.