BWBR0005314
Geldig vanaf 1991-12-14
Artikel 9
Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen
1. De instelling die subsidie verlangt, dient tijdig vóór de aanvang van de activiteiten een gemotiveerde, door het bestuur ondertekende aanvraag in bij de minister. Indien de aanvraag betrekking heeft op een boekjaar, wordt onder tijdig verstaan ten minste drie maanden vóór de aanvang van het boekjaar.
2. De aanvraag is vergezeld van een begroting en, voor zover het de in artikel 3bedoelde activiteiten betreft, een werkplan.
3. De begroting geeft inzicht in aard, omvang, baten en lasten van de verschillende in artikel 2respectievelijk artikel 3bedoelde activiteiten en de hierop betrekking hebbende produktiegegevens, voor zover zij door de instelling worden uitgevoerd. Waar nodig is de begroting voorzien van een postgewijze toelichting. Indien de aanvraag betrekking heeft op een boekjaar, bevat de begroting zowel de baten en lasten van de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden activiteit van de instelling.
4. De minister kan voorschriften geven ten aanzien van de inrichting van de aanvraag en van de begroting. De begroting wordt ingericht overeenkomstig het in de bijlage vastgestelde model.
5. In het werkplan worden de aard en omvang van de in artikel 3bedoelde en door de instelling uit te voeren activiteiten beschreven en wordt de behoefte daaraan aannemelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke doelstelling de instelling daarmee nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd en voor welke groepen deze zijn bestemd.
6. Bij de aanvraag van het subsidie worden tevens overgelegd:
a. een gewaarmerkt afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een gewaarmerkt afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in een openbaar register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip van de aanvraag.
7. Overlegging van de in het zesde lid bedoelde stukken kan achterwege blijven, indien zij bij een eerdere gelegenheid aan de minister zijn toegezonden en er geen wijzigingen zijn opgetreden, die de minister niet zijn medegedeeld.
8. De statuten mogen geen bepalingen bevatten, die strijdig zijn met deze regeling.
2. De aanvraag is vergezeld van een begroting en, voor zover het de in artikel 3bedoelde activiteiten betreft, een werkplan.
3. De begroting geeft inzicht in aard, omvang, baten en lasten van de verschillende in artikel 2respectievelijk artikel 3bedoelde activiteiten en de hierop betrekking hebbende produktiegegevens, voor zover zij door de instelling worden uitgevoerd. Waar nodig is de begroting voorzien van een postgewijze toelichting. Indien de aanvraag betrekking heeft op een boekjaar, bevat de begroting zowel de baten en lasten van de instelling als geheel als de baten en lasten van elk te onderscheiden activiteit van de instelling.
4. De minister kan voorschriften geven ten aanzien van de inrichting van de aanvraag en van de begroting. De begroting wordt ingericht overeenkomstig het in de bijlage vastgestelde model.
5. In het werkplan worden de aard en omvang van de in artikel 3bedoelde en door de instelling uit te voeren activiteiten beschreven en wordt de behoefte daaraan aannemelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke doelstelling de instelling daarmee nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd en voor welke groepen deze zijn bestemd.
6. Bij de aanvraag van het subsidie worden tevens overgelegd:
a. een gewaarmerkt afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b. een gewaarmerkt afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in een openbaar register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de instelling op het tijdstip van de aanvraag.
7. Overlegging van de in het zesde lid bedoelde stukken kan achterwege blijven, indien zij bij een eerdere gelegenheid aan de minister zijn toegezonden en er geen wijzigingen zijn opgetreden, die de minister niet zijn medegedeeld.
8. De statuten mogen geen bepalingen bevatten, die strijdig zijn met deze regeling.