BWBR0005297
Geldig vanaf 1992-08-01
Artikel 6
Regeling aanmelding tot uitoefening der diergeneeskunde
De bewijsstukken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, zijn:
a. voor een dierenarts bedoeld in artikel 2 van de wet het diploma verkregen als bewijs van het met goed gevolg afgelegd diergeneeskundig of veeartsenijkundig examen aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht;
b. voor de onderdaan die ingevolge artikel 2 tot en met 8a van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde, is toegelaten: – de opleidingstitels met in voorkomend geval de voorgeschreven verklaringen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8a van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde;
– een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land waar die onderdaan is gevestigd, waaruit blijkt dat de betrokken onderdaan niet geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief de bevoegdheid tot de uitoefening van de diergeneeskunde is ontzegd;
– de opleidingstitels met in voorkomend geval de voorgeschreven verklaringen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8a van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde;
– een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land waar die onderdaan is gevestigd, waaruit blijkt dat de betrokken onderdaan niet geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief de bevoegdheid tot de uitoefening van de diergeneeskunde is ontzegd;
c. voor andere personen dan bedoeld in de onderdelen a of b, de toelating die hen is verleend ingevolge artikel 3, eerste en vierde lid, van de wet dan wel een toelating als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst (Stb. 1954, 372).
a. voor een dierenarts bedoeld in artikel 2 van de wet het diploma verkregen als bewijs van het met goed gevolg afgelegd diergeneeskundig of veeartsenijkundig examen aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht;
b. voor de onderdaan die ingevolge artikel 2 tot en met 8a van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde, is toegelaten: – de opleidingstitels met in voorkomend geval de voorgeschreven verklaringen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8a van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde;
– een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land waar die onderdaan is gevestigd, waaruit blijkt dat de betrokken onderdaan niet geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief de bevoegdheid tot de uitoefening van de diergeneeskunde is ontzegd;
– de opleidingstitels met in voorkomend geval de voorgeschreven verklaringen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8a van de Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties uitoefening van de diergeneeskunde;
– een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land waar die onderdaan is gevestigd, waaruit blijkt dat de betrokken onderdaan niet geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of definitief de bevoegdheid tot de uitoefening van de diergeneeskunde is ontzegd;
c. voor andere personen dan bedoeld in de onderdelen a of b, de toelating die hen is verleend ingevolge artikel 3, eerste en vierde lid, van de wet dan wel een toelating als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst (Stb. 1954, 372).