BWBR0005212
Geldig vanaf 01-10-2026
Artikel 25
Paspoortwet
1. De autoriteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24, richten het verzoek tot weigering onderscheidenlijk vervallenverklaring onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden, bedoeld in de artikelen 18, 20 tot en met 23a en 24, aan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.
2. Indien deze bezwaren of deze gronden zijn vervallen, geeft de autoriteit die een verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, daarvan onverwijld kennis. De Gouverneur draagt zorg, dat de aan hem gedane mededeling dat de gronden zijn vervallen, onverwijld ter kennis komt van Onze Minister.
3. Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur vermeldt, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij hem, onderscheidenlijk de Gouverneur, gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door Onze Minister bij te houden register. In dat geval vermeldt dit register geen andere gegevens van de betrokken persoon dan die, bedoeld in artikel 3, vanwege welke autoriteit, krachtens welke bepaling van paragraaf 1 van dit hoofdstuk en om welke reden de betrokken persoon in het register is vermeld, alsmede de datum van vermelding in het register.
4. Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, deelt de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken, uit te reiken, dan wel in te houden of die bevoegd zijn een Nederlandse identiteitskaart te verstrekken, uit te reiken, dan wel in te houden op grond van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, mede, aan welke personen die ingevolge het derde lid, ingevolge artikel 30, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, of ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, een reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart moet worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument of de Nederlandse identiteitskaart moet worden ingehouden. De autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken, uit te reiken, dan wel in te houden, houden een administratie bij van de mededelingen die zij op grond van de vorige volzin ontvangen.
5. Onze Minister verwijdert onverwijld een vermelding als bedoeld in het derde lid uit het register, indien hij een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid of een kennisgeving als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart heeft ontvangen of indien twee jaar nadat een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan een zodanige kennisgeving niet is ontvangen, dan wel zodra de gronden ten aanzien van de betrokken personen bij Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur niet meer bestaan. Hij geeft daarvan en van verwijdering uit het register op grond van artikel 33, derde lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart terstond kennis aan de autoriteiten aan wie hij de mededeling als bedoeld in het vierde lid heeft gedaan. Deze autoriteiten verwijderen terstond nadat zij een kennisgeving als bedoeld in de vorige volzin hebben ontvangen de vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.
2. Indien deze bezwaren of deze gronden zijn vervallen, geeft de autoriteit die een verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, daarvan onverwijld kennis. De Gouverneur draagt zorg, dat de aan hem gedane mededeling dat de gronden zijn vervallen, onverwijld ter kennis komt van Onze Minister.
3. Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur vermeldt, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij hem, onderscheidenlijk de Gouverneur, gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door Onze Minister bij te houden register. In dat geval vermeldt dit register geen andere gegevens van de betrokken persoon dan die, bedoeld in artikel 3, vanwege welke autoriteit, krachtens welke bepaling van paragraaf 1 van dit hoofdstuk en om welke reden de betrokken persoon in het register is vermeld, alsmede de datum van vermelding in het register.
4. Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, deelt de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken, uit te reiken, dan wel in te houden of die bevoegd zijn een Nederlandse identiteitskaart te verstrekken, uit te reiken, dan wel in te houden op grond van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, mede, aan welke personen die ingevolge het derde lid, ingevolge artikel 30, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, of ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, een reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart moet worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument of de Nederlandse identiteitskaart moet worden ingehouden. De autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken, uit te reiken, dan wel in te houden, houden een administratie bij van de mededelingen die zij op grond van de vorige volzin ontvangen.
5. Onze Minister verwijdert onverwijld een vermelding als bedoeld in het derde lid uit het register, indien hij een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid of een kennisgeving als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart heeft ontvangen of indien twee jaar nadat een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan een zodanige kennisgeving niet is ontvangen, dan wel zodra de gronden ten aanzien van de betrokken personen bij Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur niet meer bestaan. Hij geeft daarvan en van verwijdering uit het register op grond van artikel 33, derde lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart terstond kennis aan de autoriteiten aan wie hij de mededeling als bedoeld in het vierde lid heeft gedaan. Deze autoriteiten verwijderen terstond nadat zij een kennisgeving als bedoeld in de vorige volzin hebben ontvangen de vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.
- Wet
- Paspoortwet
- Citeren als
- Art. 25
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0005212
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl