BWBR0005206
Geldig vanaf 2010-06-17
Artikel 20
Besluit bestrijding schadelijke organismen
1. Aanzeggingen gedaan krachtens het bepaalde in de artikelen 3, 5 en 8 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 ( Stb.368), worden geacht te zijn gegeven op grond van het bepaalde onderscheidenlijk in de artikelen 3en 9.
2. Toestemmingen verleend krachtens het bepaalde in de artikelen 4, 6 en 8, tweede lid, van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959, worden geacht te zijn gegeven op grond van het bepaalde onderscheidenlijk in de artikelen 4, tweede lid, 9en 10, tweede lid.
3. Aanwijzingen gedaan op grond van artikel 9 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij het in werking treden van dit besluit, worden geacht te zijn gegeven op grond van artikel 17.
4. Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de teeltverboden vastgesteld op grond van artikel 9 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij de inwerkingtreding van dit besluit geacht te zijn gegeven op grond van artikel 17van dit besluit.
5. Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de regeling teeltverboden knolcyperus ( Stcrt.1985, 79) en de Regeling teeltverboden stengelaaltje ( Stcrt.1989, 95) op artikel 17van dit besluit.
6. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling aanwijzing schadelijke organismen 1984 ( Stcrt.248) op artikel 18van dit besluit.
7. Vrijstellingen en ontheffingen verleend op grond van artikel 10 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij het in werking treden van dit besluit, worden geacht te zijn gegeven op grond van artikel 19.
8. Verklaringen afgegeven krachtens artikel 5 van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, die nog van kracht zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 17 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit bestrijding schadelijke organismen en intrekking van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, in verband met de implementatie van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU L 156), worden geacht te zijn afgegeven op grond van artikel 12ben zijn, tenzij ze voortijdig worden ingetrokken of de geldigheid verstrijkt, geldig tot en met het moment dat op het voor de verklaring relevante perceel voor de eerste maal door Onze Minister op grond van artikel 12b aangewezen planten worden geteeld.
9. Aanwijzingen van terreinen gedaan krachtens artikel 6 van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, die nog van kracht zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 17 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit bestrijding schadelijke organismen en intrekking van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991 in verband met de implementatie van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU L 156), worden geacht te zijn gedaan op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 17.
2. Toestemmingen verleend krachtens het bepaalde in de artikelen 4, 6 en 8, tweede lid, van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959, worden geacht te zijn gegeven op grond van het bepaalde onderscheidenlijk in de artikelen 4, tweede lid, 9en 10, tweede lid.
3. Aanwijzingen gedaan op grond van artikel 9 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij het in werking treden van dit besluit, worden geacht te zijn gegeven op grond van artikel 17.
4. Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de teeltverboden vastgesteld op grond van artikel 9 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij de inwerkingtreding van dit besluit geacht te zijn gegeven op grond van artikel 17van dit besluit.
5. Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de regeling teeltverboden knolcyperus ( Stcrt.1985, 79) en de Regeling teeltverboden stengelaaltje ( Stcrt.1989, 95) op artikel 17van dit besluit.
6. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling aanwijzing schadelijke organismen 1984 ( Stcrt.248) op artikel 18van dit besluit.
7. Vrijstellingen en ontheffingen verleend op grond van artikel 10 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen 1959 en nog van kracht bij het in werking treden van dit besluit, worden geacht te zijn gegeven op grond van artikel 19.
8. Verklaringen afgegeven krachtens artikel 5 van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, die nog van kracht zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 17 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit bestrijding schadelijke organismen en intrekking van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, in verband met de implementatie van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU L 156), worden geacht te zijn afgegeven op grond van artikel 12ben zijn, tenzij ze voortijdig worden ingetrokken of de geldigheid verstrijkt, geldig tot en met het moment dat op het voor de verklaring relevante perceel voor de eerste maal door Onze Minister op grond van artikel 12b aangewezen planten worden geteeld.
9. Aanwijzingen van terreinen gedaan krachtens artikel 6 van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991, die nog van kracht zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 17 juni 2010, houdende wijziging van het Besluit bestrijding schadelijke organismen en intrekking van het Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991 in verband met de implementatie van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PbEU L 156), worden geacht te zijn gedaan op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 17.