BWBR0005130
Geldig vanaf 1991-07-17
Artikel 8
Wet temporisering van de uitbetaling van investeringsbijdragen en beëindiging op termijn van de verrekening van die bijdragen
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsbladwaarin zij wordt geplaatst.
2. Belastingaanslagen met betrekking tot jaren na 1986 welke zijn vastgesteld na 30 juni 1990 doch vóór het begin van de derde kalendermaand volgend op die van de inwerkingtreding van deze wet kunnen met betrekking tot het in aanmerking nemen van investeringsbijdragen, zo nodig met terzijdestelling van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, worden herzien overeenkomstig het bepaalde in deze wet. Ingeval de herziening een voorlopige aanslag of een voorlopige teruggaaf betreft, wordt het bedrag van de herziening vastgesteld bij een voorlopige aanslag onder gelijktijdige vaststelling van vier beschikkingen als bedoeld in artikel 2of artikel 3, met dien verstande dat de data waarop de beschikkingen vatbaar zijn voor uitbetaling worden gekoppeld aan de datum van vaststelling van de eerstgenoemde voorlopige aanslag onderscheidenlijk van de voorlopige teruggaaf; ingeval de voorlopige aanslag een gevolg is van de herziening van een voorlopige teruggaaf wordt die aanslag, in afwijking van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op overeenkomstige wijze verrekend als een voorlopige teruggaaf. Ingeval de herziening een aanslag of een navorderingsaanslag betreft, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrag van de herziening wordt vastgesteld bij een navorderingsaanslag. Met betrekking tot laatstgenoemde navorderingsaanslag is, in afwijking van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 23 van die wet van toepassing. Ingeval de herziening zowel een voorlopige aanslag als een aanslag over hetzelfde kalenderjaar dan wel jaar betreft, wordt, in afwijking van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de op de voet van artikel 2, eerste volzin, en artikel 3, eerste volzin, berekende belasting verrekend met de navorderingsaanslag.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot investeringsbijdragen die blijken uit na 30 april 1990 doch vóór het begin van de derde kalendermaand volgend op die van de inwerkingtreding van deze wet door de belastingplichtige aan de inspecteur verstrekte gegevens voor zover daar op basis van die gegevens overigens verschuldigde inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting tegenover staat en binnen twee maanden nadat die gegevens zijn verstrekt geen belastingaanslag is vastgesteld, met dien verstande dat de data waarop de beschikkingen vatbaar zijn voor uitbetaling worden gekoppeld aan het begin van de derde kalendermaand volgend op de datum waarop die gegevens zijn verstrekt.
4. Indien als gevolg van een herziening een in het tweede of derde lid bedoelde beschikking vatbaar zou zijn voor uitbetaling op een datum die ligt vóór het tijdstip van de herziening, wordt de datum waarop de beschikking vatbaar is voor uitbetaling gekoppeld aan het tijdstip van de herziening.
2. Belastingaanslagen met betrekking tot jaren na 1986 welke zijn vastgesteld na 30 juni 1990 doch vóór het begin van de derde kalendermaand volgend op die van de inwerkingtreding van deze wet kunnen met betrekking tot het in aanmerking nemen van investeringsbijdragen, zo nodig met terzijdestelling van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, worden herzien overeenkomstig het bepaalde in deze wet. Ingeval de herziening een voorlopige aanslag of een voorlopige teruggaaf betreft, wordt het bedrag van de herziening vastgesteld bij een voorlopige aanslag onder gelijktijdige vaststelling van vier beschikkingen als bedoeld in artikel 2of artikel 3, met dien verstande dat de data waarop de beschikkingen vatbaar zijn voor uitbetaling worden gekoppeld aan de datum van vaststelling van de eerstgenoemde voorlopige aanslag onderscheidenlijk van de voorlopige teruggaaf; ingeval de voorlopige aanslag een gevolg is van de herziening van een voorlopige teruggaaf wordt die aanslag, in afwijking van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op overeenkomstige wijze verrekend als een voorlopige teruggaaf. Ingeval de herziening een aanslag of een navorderingsaanslag betreft, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bedrag van de herziening wordt vastgesteld bij een navorderingsaanslag. Met betrekking tot laatstgenoemde navorderingsaanslag is, in afwijking van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 23 van die wet van toepassing. Ingeval de herziening zowel een voorlopige aanslag als een aanslag over hetzelfde kalenderjaar dan wel jaar betreft, wordt, in afwijking van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de op de voet van artikel 2, eerste volzin, en artikel 3, eerste volzin, berekende belasting verrekend met de navorderingsaanslag.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot investeringsbijdragen die blijken uit na 30 april 1990 doch vóór het begin van de derde kalendermaand volgend op die van de inwerkingtreding van deze wet door de belastingplichtige aan de inspecteur verstrekte gegevens voor zover daar op basis van die gegevens overigens verschuldigde inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting tegenover staat en binnen twee maanden nadat die gegevens zijn verstrekt geen belastingaanslag is vastgesteld, met dien verstande dat de data waarop de beschikkingen vatbaar zijn voor uitbetaling worden gekoppeld aan het begin van de derde kalendermaand volgend op de datum waarop die gegevens zijn verstrekt.
4. Indien als gevolg van een herziening een in het tweede of derde lid bedoelde beschikking vatbaar zou zijn voor uitbetaling op een datum die ligt vóór het tijdstip van de herziening, wordt de datum waarop de beschikking vatbaar is voor uitbetaling gekoppeld aan het tijdstip van de herziening.