BWBR0005130
Geldig vanaf 1991-07-17
Artikel 1
Wet temporisering van de uitbetaling van investeringsbijdragen en beëindiging op termijn van de verrekening van die bijdragen
1. Bij de heffing van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting worden met betrekking tot jaren na 1986 de op 1 juli 1990 per saldo nog niet bij een belastingaanslag in aanmerking genomen investeringsbijdragen die betrekking hebben op investeringen die na 30 april 1986 hebben plaatsgevonden, indien die investeringsbijdragen gezamenlijk meer belopen dan f 150 000, in aanmerking genomen met inachtneming van deze wet, zulks in afwijking van artikel VII van de wet van 28 december 1989 tot invoering in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting van een investeringsaftrek voor investeringen van een beperkte omvang en intrekking van de Wet investeringsrekening ( Stb.601). Investeringsbijdragen als bedoeld in artikel 61, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 23b, vierde lid, tweede volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1990 blijven buiten beschouwing.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder belastingaanslag mede verstaan de voorlopige teruggaaf op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 23b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1990.
3. Over jaren na 1999 worden, in afwijking in zoverre van het in het eerste lid genoemde artikel VII, geen investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen meer in aanmerking genomen.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder belastingaanslag mede verstaan de voorlopige teruggaaf op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 23b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969zoals deze artikelen luidden onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1990.
3. Over jaren na 1999 worden, in afwijking in zoverre van het in het eerste lid genoemde artikel VII, geen investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen meer in aanmerking genomen.