BWBR0004575
Geldig vanaf 1989-09-01
Artikel 9
Wet op de waterhuishouding
1. Een kwantiteitsbeheerder of kwaliteitsbeheerder, niet zijnde het Rijk, stelt met betrekking tot oppervlaktewateren onder zijn beheer een beheersplan vast. Bij die vaststelling wordt rekening gehouden met het provinciaal plan voor de waterhuishouding.
2. Een beheersplan geeft aan hetgeen de beheerder ter vervulling van zijn taak verricht.
3. Door een kwaliteitsbeheerder worden mede opgenomen, gerangschikt naar stroomgebieddistrict en voor zover niet opgenomen in het provinciale plan:
a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, met uitzondering van maatregelen die het kwantiteitsbeheer betreffen.
4. Het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een kwantiteitsbeheerder, voor zover de maatregelen van artikel 11 van de kaderrichtlijn water het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewateren betreffen.
5. Een niet door provinciale staten vastgesteld beheersplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
6. Het plan wordt tenminste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.
7. Provinciale staten stellen bij verordening nadere regels vast met betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven zij daarin regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een plan samenwerken;
b. het betrekken van de in het beheersgebied woonachtige personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan, op overeenkomstige wijze als voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening en
c. de raadpleging, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, van de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
8. Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening, bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister.
2. Een beheersplan geeft aan hetgeen de beheerder ter vervulling van zijn taak verricht.
3. Door een kwaliteitsbeheerder worden mede opgenomen, gerangschikt naar stroomgebieddistrict en voor zover niet opgenomen in het provinciale plan:
a. de aanwijzing van regionale oppervlaktewateren of onderdelen daarvan als kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, dan wel als natuurlijk oppervlaktewaterlichaam, en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, met uitzondering van maatregelen die het kwantiteitsbeheer betreffen.
4. Het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een kwantiteitsbeheerder, voor zover de maatregelen van artikel 11 van de kaderrichtlijn water het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewateren betreffen.
5. Een niet door provinciale staten vastgesteld beheersplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
6. Het plan wordt tenminste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.
7. Provinciale staten stellen bij verordening nadere regels vast met betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven zij daarin regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een plan samenwerken;
b. het betrekken van de in het beheersgebied woonachtige personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan, op overeenkomstige wijze als voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening en
c. de raadpleging, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, van de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
8. Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening, bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister.